Verzoekster, een BV die een innovatieve warmte- en elektriciteitscentrale ontwikkelt, verzocht om een afkoelingsperiode van vier maanden om executie van een vonnis door een schuldeiser te voorkomen en de onderneming voort te zetten. De samenwerking met een contractmanufacturer liep spaak en leidde tot een vonnis tot betaling van ruim €900.000 aan deze schuldeiser, tegen welk vonnis hoger beroep is ingesteld.
Ondanks de levensvatbaarheid van de onderneming is verzoekster momenteel niet in staat aan haar directe betalingsverplichtingen te voldoen. Zij baseert haar verzoek op groeiprognoses en een settlement met een investeerder die betalingsverplichtingen heeft, waarvan een deel nog niet is voldaan. De schuldeiser betwist de omzetprognoses en het vertrouwen in de investeerder.
De rechtbank oordeelt dat niet summierlijk is gebleken dat schuldeisers met verhaalbevoegdheid niet wezenlijk worden geschaad. De schuldeiser heeft een executoriale titel en beslag gelegd. Indien de afkoelingsperiode wordt gelast, kan het vermogen van verzoekster afnemen en wordt het verhaal van de schuldeiser bemoeilijkt. Ook zijn de omzetprognoses onvoldoende onderbouwd en weersproken door stukken van de schuldeiser.
Daarom wordt het verzoek tot afkondiging van een afkoelingsperiode afgewezen. De rechtbank bevestigt haar bevoegdheid en de besloten procedure. De beslissing is genomen door drie rechters en uitgesproken op 26 juli 2023.