Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, vastgesteld op €180.000 per 1 januari 2019. De heffingsambtenaar handhaafde deze waarde na bezwaar, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld, mede op basis van een taxatierapport met vergelijkingsobjecten die adequaat zijn verdisconteerd. De door belanghebbende aangevoerde lagere waarde werd onvoldoende onderbouwd.
Verder wees de rechtbank het beroep op het niet tijdig verstrekken van waardeberekeningen af, evenals het beroep op onvoldoende motivering van de uitspraak op bezwaar. Wel werd een vergoeding van immateriële schade van €150 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn met zestien maanden, verdeeld over de heffingsambtenaar en de minister.
De rechtbank veroordeelde beide partijen tot betaling van een deel van de immateriële schadevergoeding, proceskosten en griffierecht. Het beroep werd ongegrond verklaard en de WOZ-beschikking en aanslagen bleven in stand.