Verzoekers maakten bezwaar tegen het besluit van het waterschap Scheldestromen om een watervergunning te verlenen aan een vergunninghouder voor het onttrekken van grondwater ten behoeve van de aanleg van een 150 kV-leiding in Zuid-Beveland. Zij vreesden verzilting van hun percelen door het oppompen van brak water en stelden dat de uniforme openbare voorbereidingsprocedure gevolgd had moeten worden en dat een milieueffectrapportage ontbrak.
De voorzieningenrechter overwoog dat het algemeen belang bij voortgang van de werkzaamheden groot is, omdat het elektriciteitsnet in Zeeland vol is en uitbreiding van stroomaansluitingen noodzakelijk is. Tegelijkertijd erkende hij het belang van verzoekers om schade door verzilting te voorkomen. Uit de beoordeling bleek dat het bestreden besluit rechtmatig is en dat er geen wettelijke verplichting was tot het volgen van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure of het opstellen van een MER.
De rechter stelde vast dat de verziltingsrisico's kunnen worden beperkt door het opleggen van aangescherpte voorschriften, waaronder het plaatsen van peilbuizen bij de percelen van verzoekers om het zoet-zout grensvlak te monitoren, dagelijkse controle van het chloridegehalte en het opvullen van boorgaten met zwelklei. Deze maatregelen worden aan de vergunning verbonden tot zes weken na de beslissing op bezwaar.
De voorlopige voorziening tot schorsing van de vergunning wordt afgewezen, maar het waterschap wordt opgedragen het betaalde griffierecht aan verzoekers te vergoeden. Er zijn geen proceskosten toegekend.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter R.P. Broeders op 8 augustus 2023 en is niet vatbaar voor hoger beroep.