ECLI:NL:RBZWB:2023:5592
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen uitspraak op bezwaar inzake onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) en watersysteemheffing opgelegd door de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant. De heffingsambtenaar had de waarde van het bedrijfspand vastgesteld op €1.527.000 per 1 januari 2019 en legde daarop aanslagen op. Het bezwaar werd gegrond verklaard en de aanslagen vernietigd, met een proceskostenvergoeding van €130,50 toegekend.
In het beroep stelt belanghebbende dat de hoorplicht is geschonden, verkeerde data en bedragen zijn vermeld en dat de proceskostenvergoeding te laag is vastgesteld. De heffingsambtenaar erkent fouten in de datum en het verrekende bedrag en wijzigt zijn standpunt over de proceskostenvergoeding naar €261. De rechtbank oordeelt dat de hoorplicht niet is geschonden omdat het bezwaar volledig is toegewezen en dat de aanslag ten onrechte aan belanghebbende als privépersoon is opgelegd.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond voor de proceskostenvergoeding en stelt deze vast op €261. Over de verrekening van betaalde bedragen is de bestuursrechter onbevoegd. Het verzoek tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen omdat de termijn niet is overschreden. De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van €1.098 aan proceskosten en €180 aan griffierecht aan belanghebbende.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard voor de proceskostenvergoeding en afgewezen voor het overige, met een proceskostenvergoeding van €1.098 en griffierechtvergoeding van €180.