Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[gedaagde in conventie01] B.V.,
1.Het verdere verloop van het geding
2.De verdere beoordeling
€ 132,-
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De huurder van een horecacomplex heeft een huurachterstand opgebouwd als gevolg van de coronapandemie en de daaraan verbonden overheidsmaatregelen die de omzet aanzienlijk hebben beïnvloed. De verhuurder vorderde ontbinding van de huurovereenkomst wegens niet tijdige en volledige betaling van de huur over een periode van zes maanden.
De kantonrechter stelde vast dat de huurder ten tijde van de dagvaarding een huurachterstand had van ongeveer 2,12 maanden inclusief huurkorting. De rechter volgde de rekenmethode van de rechtbank Amsterdam en oordeelde dat personeelskosten niet als vaste lasten dienen te worden meegenomen bij de berekening van de huurkorting.
Gezien de bijzondere omstandigheden van de coronapandemie, de inmiddels grotendeels ingelopen huurachterstand en het belang van de huurder om in het gehuurde te blijven, werd de vordering tot ontbinding afgewezen. De huurder werd veroordeeld tot betaling van de resterende huurachterstand, boetes wegens te late betaling en buitengerechtelijke incassokosten. Tevens werd de huurprijs met huurkorting over bepaalde perioden aangepast.
Uitkomst: De ontbinding van de huurovereenkomst wordt afgewezen en de huurder wordt veroordeeld tot betaling van een deel van de huurachterstand, boetes en incassokosten met huurprijsaanpassing.