Partijen sloten op 7 juni 2022 een overeenkomst voor het renoveren van een badkamer en het maken van een nieuwe badkamer tegen een richtprijs van €11.000. De aannemer, gedaagde, startte werkzaamheden in augustus 2022 maar schakelde een derde in voor herstelwerkzaamheden aan de douchevloer. Eiser stelde dat het werk ondeugdelijk was en dat de nieuwe badkamer niet was gerealiseerd, waarna hij vervangende schadevergoeding vorderde.
De rechtbank oordeelde dat gedaagde tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verplichtingen, aangezien de nieuwe badkamer niet is aangelegd en de gerenoveerde badkamer gebreken vertoonde na herstelwerkzaamheden door de derde. De aansprakelijkheid voor de gebreken aan de gerenoveerde badkamer werd toegerekend aan gedaagde, ook al waren de herstelwerkzaamheden door de derde uitgevoerd.
De rechtbank kende vervangende schadevergoeding toe ter waarde van de uitgebleven prestatie, gebaseerd op een offerte van een andere aannemer voor de nieuwe badkamer en een schatting van herstelkosten aan de gerenoveerde badkamer. De reeds betaalde bedragen werden in mindering gebracht. Gedaagde werd veroordeeld tot betaling van €8.660,78 en de proceskosten van €1.592,22.
De vordering tot teruggave van gereedschap werd niet toegewezen, maar gedaagde kan dit rechtstreeks met eiser regelen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde is afgewezen.