ECLI:NL:RBZWB:2023:574
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling navorderingsaanslagen en boetes wegens inkomsten uit hennepkwekerij
Belanghebbende is eigenaar van meerdere woningen en werd in 2016 geconfronteerd met een politieonderzoek waarbij een hennepplantage werd aangetroffen in een woning die hij verhuurde. De politie stelde vast dat de plantage sinds 2010 in werking was en berekende het wederrechtelijk verkregen voordeel op €7.948 per week. De inspecteur legde navorderingsaanslagen en boetes op voor de jaren 2010 tot en met 2016, waarbij de helft van de opbrengst aan belanghebbende werd toegerekend als resultaat uit overige werkzaamheden.
Belanghebbende voerde onder meer aan dat de inspecteur niet alle stukken had overgelegd en betwistte de aanslagen. De rechtbank oordeelde dat de inspecteur niet beschikte over bepaalde politiegegevens, maar dat dit niet tot niet-ontvankelijkheid leidde. Voor de jaren 2010 tot en met 2014 en 2016 was sprake van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigde, maar niet voor 2015, waardoor de aanslag 2015 werd vernietigd.
De rechtbank stelde vast dat belanghebbende geen vereiste aangifte had gedaan en dat de inspecteur terecht een omkering en verzwaring van de bewijslast toepaste. De schatting van de inspecteur werd als redelijk beoordeeld. De opgelegde vergrijpboetes voor 2012 tot en met 2014 werden bevestigd wegens opzet, maar met een matiging van 20% wegens overschrijding van de redelijke termijn. De verzuimboete 2016 werd eveneens bevestigd. De rechtbank kende een immateriële schadevergoeding van €4.500 toe en veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Navorderingsaanslag 2015 vernietigd, overige aanslagen en boetes bevestigd met matiging boetes en toekenning schadevergoeding.