ECLI:NL:RBZWB:2023:5751

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 augustus 2023
Publicatiedatum
17 augustus 2023
Zaaknummer
AWB- 22_4098
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 PWArt. 45 PWArt. 78f PWArt. 6 Tozo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling herziening en terugvordering Tozo-uitkering wegens inkomsten uit BV

Eiser, mede-bestuurder en aandeelhouder van een BV en eigenaar van een eenmanszaak, ontving tussen maart 2020 en september 2021 Tozo-uitkeringen. Het college herzag en trok de uitkering in over diverse maanden omdat eiser inkomsten had die de uitkeringsnorm overschreden, en vorderde een bedrag van €4.659,11 terug.

Eiser voerde aan dat het college ten onrechte geen gemiddelde berekening van variabele kosten toepaste, waardoor onterecht winst werd vastgesteld. De rechtbank oordeelde dat het college terecht het inkomen per maand heeft vastgesteld conform de Participatiewet en Tozo-regels, waarbij maandelijkse inkomsten worden verrekend zonder compensatie tussen maanden.

De rechtbank verwierp het beroep omdat eiser zijn argumenten onvoldoende onderbouwde en bevestigde dat de winst in de BV ook als inkomen moet worden beschouwd, ongeacht of deze is uitgekeerd. Het bestreden besluit blijft daarmee in stand en het beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de herziening, intrekking en terugvordering van de Tozo-uitkering wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/4098 TOZO

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 augustus 2023 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser,

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg(het college), verweerder,
(gemachtigde: mr. J. Jansen).

Procesverloop

1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 14 juli 2022 (bestreden besluit) inzake de herziening, intrekking en terugvordering van zijn uitkering op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo).
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 10 augustus 2023 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

2.1.
Eiser is samen met [naam] bestuurder van de onderneming [B.V.] en hij heeft 1/3 van de aandelen in deze B.V (de BV). Daarnaast is eiser eigenaar van de [eenmanszaak] .
2.2.
Eiser heeft over de periode van maart 2020 t/m september 2021 een Tozo-uitkering
(Tozo 1 t/m 5) gekregen.
2.3.
Met het besluit van 5 april 2022 heeft het college, na hercontrole, eisers Tozo-uitkering over maart en april 2020 herzien omdat hij over deze maanden meer inkomsten heeft ontvangen dan gekort zijn op de uitkering. Over de maanden juni en juli 2020 en de periodes september tot en met december 2020 en januari tot en met september 2021 wordt de Tozo-uitkering ingetrokken omdat eiser inkomsten had die de uitkeringsnorm overstijgen. Eiser dient een bedrag van € 15.725,21 terug te betalen.
2.4.
Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2.5.
Met het bestreden besluit heeft het college dit bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. Het college herziet eisers Tozo-uitkering over de maanden april, juni en december 2020 en januari, februari, april en juli 2021. Over november 2020 trekt het college de uitkering in. Een bedrag van € 4.659,11 wordt teruggevorderd. Het college stelt dat de inkomsten uit de eenmanszaak, behalve in april 2020, negatief waren. De inkomsten over april 2020 worden vastgesteld op € 19,79.
Bij het vaststellen van het inkomen uit de BV is rekening gehouden met de te betalen vennootschapsbelasting en met het feit dat eiser voor een derde aandeel heeft in de BV.
Het vaststellen van het inkomen uit eigen bedrijf is volgens het college bij de Tozo een andere dan bij het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz) wordt gehanteerd. De Tozo-uitkering wordt niet per kalenderjaar vastgesteld maar per maand. Inkomsten die in een bepaalde maand worden verdiend moeten in dezelfde maand worden verrekend met de uitkering. Een verlies in de ene maand kan niet worden verrekend met winst in een andere maand. Het omgekeerde geldt ook. Deze systematiek volgt uit de artikelen 32, eerste lid, en 45, eerste lid, van de Participatiewet (PW). De wetgever heeft er expliciet voor gekozen om niet de verrekeningssystematiek van het Bbz te volgen, maar de systematiek die geldt voor de PW.
Het college volgt niet eisers stelling dat hij geen inkomsten uit de BV geeft genoten, omdat de winst in de BV is gebleven en niet is uitgekeerd. Dat niet is uitgekeerd, is geen reden om de winst niet als inkomsten aan te merken.
3. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat het college een deel van de variabele kosten ten onrechte niet heeft gemiddeld. Daardoor stelt het college ten onrechte dat in bepaalde maanden winst is gemaakt, terwijl toen in totaal verlies is geleden.
4.1.
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het college op goede gronden met het bestreden besluit eisers Tozo-uitkering over april, juni en december 2020 en januari, februari, april en juli 2021 heeft herzien, over november 2020 heeft ingetrokken en een bedrag van € 4.659,11 heeft teruggevorderd.
4.2.
Het college heeft de Tozo-uitkering van eiser herzien, ingetrokken en teruggevorderd omdat eiser inkomsten uit de BV heeft gehad waarmee niet eerder rekening is gehouden.
4.3.
Uit de Tozo en Nota van Toelichting (NvT) [1] daarop blijkt dat een uitkering voor levensonderhoud kan worden verleend aan de zelfstandige wiens bedrijf financieel is geraakt door de coronacrisis. Als het inkomen als gevolg van de coronacrisis is gedaald tot onder het sociaal minimum kan een beroep op de Tozo worden gedaan. Uitgangspunt bij het vaststellen van het inkomen is het inkomensbegrip van artikel 32, eerste lid, van de PW. In de NvT is opgenomen dat op grond van artikel 78f van de PW in de Tozo kan worden afgeweken van artikel 32 van Pro de PW. In artikel 6 van Pro de Tozo zijn enige afwijkende bepalingen opgenomen.
Op grond van artikel 45, eerste lid, van de PW wordt de algemene bijstand per kalendermaand vastgesteld en betaald. In de Tozo zijn hierover verder geen van de PW afwijkende bepalingen opgenomen.
4.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college dan ook terecht eisers inkomen per maand vastgesteld en bekeken of dat meer of minder is dan de voor hem geldende bijstandsnorm. Over de maanden dat dit inkomen meer is dan de bijstandsnorm heeft het college terecht gesteld dat eiser over die maand geen dan wel minder recht heeft op Tozo-uitkering. Het college is terecht overgegaan tot herziening, intrekking en terugvordering van de Tozo-uitkering.
4.5
Eiser heeft in zijn beroepschrift aangegeven dat hij zijn argumenten nader kan onderbouwen. Dit is echter niet gebeurd.

Conclusie

5. Naar het oordeel van de rechtbank houdt het bestreden besluit stand. Het beroep is ongegrond. Eiser heeft geen recht op vergoeding van griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. H.D. Sebel, griffier op 17 augustus 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

1.Staatsblad 2020, nr. 118