ECLI:NL:RBZWB:2023:5791

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 augustus 2023
Publicatiedatum
21 augustus 2023
Zaaknummer
C/02/412431 / KG ZA 23-379 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing executie vonnis na belangenafweging in kort geding

In deze kort geding procedure stond de vraag centraal of het executoriaal beslag gelegd door [gedaagde01] op 1 augustus 2023 opgeheven moest worden en of de executie geschorst kon worden gedurende de procedure in hoger beroep en de schadestaatprocedure in eerste aanleg.

Eiser [eiser01] stelde primair dat partijen een opschortingsafspraak hadden gemaakt over betaling van twee termijnen, maar deze afspraak werd door gedaagde betwist en was niet volledig schriftelijk vastgelegd, waardoor bewijs in kort geding ontbrak. Subsidiair verzocht eiser schorsing van de executie op grond van belangenafweging, waarbij zij wees op het restitutierisico vanwege de vermeende slechte financiële positie van gedaagde en het feit dat zij reeds een substantieel bedrag had betaald.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de primaire grondslag niet kon slagen wegens gebrek aan bewijs. Bij de subsidiaire belangenafweging woog mee dat eiser al € 210.000 had betaald en dat het te betalen bedrag relatief klein was. Ook was gedaagde niet dringend verlegen om het bedrag en had zij eerder bereidheid getoond tot opschorting tegen zekerheidstelling. Daarom woog het belang van eiser bij schorsing zwaarder dan het belang van gedaagde bij voortzetting van de executie.

De executie werd geschorst tot het eindarrest van het hof en het eindvonnis in de schadestaatprocedure. Gedaagde werd verplicht dit schriftelijk en mondeling aan de bank van eiser te melden, onder dreiging van een dwangsom van € 80.000. Het beslag werd niet opgeheven en de proceskosten werden gecompenseerd, ieder draagt eigen kosten.

Uitkomst: Executie van het vonnis wordt geschorst, maar het executoriaal beslag wordt niet opgeheven.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/412431 / KG ZA 23-379
Proces-verbaal van mondelinge uitspraak van 8 augustus 2023
in de zaak van:
de rechtspersoon naar buitenlands recht
[eiser01],
te [naam01] ( Duitsland ),
eisende partij,
hierna te noemen: ‘ [eiser01] ’,
advocaat: mr. M.J. de Vries te Amsterdam,
tegen
[gedaagde01] BV,
te [plaats01] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: ‘ [gedaagde01] ’,
advocaat: mr. A.U. Schimansky.
Aanwezig zijn mr. R.T. Hermans, voorzieningenrechter, en mr. V. Hartman, griffier.
Na uitroeping van de zaak zijn verschenen:
  • namens [eiser01] : de heer [naam02] (CEO) en de heer [naam03] (CEO), bijgestaan door mr. De Vries voornoemd en mevrouw [tolk01] in de Duitse taal, [tolkennummer01] ,
  • namens [gedaagde01] : de heer [naam04] (DGA) en de heer [naam05] (DGA), bijgestaan door mr. Schimansky voornoemd.
De processtukken zijn:
  • de betekende dagvaarding in kort geding,
  • de door [eiser01] nagezonden productie 13,
  • de door [gedaagde01] nagezonden productie 14,
  • de pleitnota aan de zijde van [eiser01] ,
  • de pleitnota aan de zijde van [gedaagde01] .

1.De procedure

In deze zaak heeft vandaag een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De aantekeningen van de zitting bevinden zich in het dossier. De rechter heeft daarna de zitting voor korte tijd geschorst. Na hervatting van de zitting heeft de rechter in aanwezigheid van beide partijen mondeling uitspraak gedaan. Deze uitspraak is voor de heren [namen01] vertaald door mw. [tolk01] . Daarvan is ingevolge artikel 29a, lid 3, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dit proces-verbaal opgemaakt.

2.Mondeling vonnis

De vraag die in deze zaak moet worden beantwoord is of het door [gedaagde01] gelegde executoriale beslag van 1 augustus 2023 moet worden opgeheven en of de executie moet worden geschorst voor de duur van de procedure in hoger beroep en voor de duur van de schadestaatprocedure in eerste aanleg.
[eiser01] legt primair aan haar vorderingen ten grondslag dat partijen zijn overeengekomen dat de betaling van de laatste termijn van € 10.000,00 en de slottermijn van € 65.000,00 wordt opgeschort gedurende de procedure in hoger beroep en de schadestaatprocedure in eerste aanleg. Voor zover die afspraak niet komt vast te staan, legt [eiser01] subsidiair aan haar vordering ten grondslag dat in het kader van een belangenafweging tussen partijen de executie moet worden opgeschort.
Ten aanzien van de primaire grondslag heeft het volgende te gelden. Partijen hebben onderling twee afspraken gemaakt: een afspraak over het bedrag van € 10.000,00 en een afspraak over het bedrag van € 65.000,00. De uitleg die [eiser01] aan die twee afspraken geeft, wordt door [gedaagde01] betwist. Met betrekking tot het bedrag van € 10.000,00 staat vast dat de opschortingsafspraak mondeling is gemaakt. [eiser01] stelt dat de opschorting is overeengekomen voor de duur van de procedure in hoger beroep en de schadestaatprocedure in eerste aanleg; [gedaagde01] stelt dat de opschorting is overeengekomen voor de duur van de onderhandelingen. [eiser01] heeft de opschorting op zichzelf in haar e-mail van 26 april 2023 wel schriftelijk bevestigd, maar de voorwaarde waaronder deze opschorting is overeengekomen niet. Omdat partijen daarover van mening verschillen en de opschortingsafspraak niet volledig schriftelijk is vastgelegd, vergt de door [eiser01] gegeven uitleg aan deze afspraak bewijs, waarvoor in kort geding geen plaats is. Met betrekking tot het bedrag van € 65.000,00 voert [gedaagde01] aan dat dat bedrag direct opeisbaar is geworden op het moment dat [eiser01] de laatste termijn van € 10.000,00 niet betaalde. In de
e-mailwisseling tussen partijen van oktober 2022 en de vaststellingsovereenkomst van december 2022 staat niet met zoveel woorden de uitleg die beide partijen geven aan die afspraken over het opeisbaar worden van het bedrag van € 65.000,00. Voor beide uitleggen van partijen is iets te zeggen. Zonder nadere bewijsvoering, waarvoor in deze kort geding procedure geen plaats is, kan niet worden vastgesteld hoe deze afspraak tussen partijen precies moet worden begrepen. De primaire grondslag kan dus niet slagen.
Ten aanzien van de subsidiaire grondslag heeft het volgende te gelden. [eiser01] heeft aangevoerd dat haar belang bij schorsing van de executie met name is gelegen in het restitutierisico aan de zijde van [gedaagde01] . Volgens [eiser01] verkeert [gedaagde01] in een slechte financiële positie en ontstaat er daarom een risico voor terugbetaling als in hoger beroep het vonnis in eerste aanleg wordt vernietigd. Daarnaast voert [eiser01] aan dat zij al een substantieel bedrag van ongeveer € 210.000,00 aan [gedaagde01] heeft betaald, terwijl uit het voorlopig oordeel van de raadsheer tijdens de comparitie van aanbrenging blijkt dat de vordering van [gedaagde01] in hoger beroep waarschijnlijk geen stand zal houden. [gedaagde01] betwist dat zij in een slechte financiële positie verkeert en stelt dat [eiser01] dat ook niet heeft onderbouwd.
De voorzieningenrechter neemt in de belangenafweging mee dat [eiser01] al een substantieel bedrag van € 210.000,00 heeft betaald. Dit bedrag staat in geen verhouding tot het bedrag van € 10.000,00 dat [eiser01] volgens [gedaagde01] nog moest betalen en dat bij gebreke van betaling volgens [gedaagde01] heeft geleid tot het opeisbaar worden van het restantbedrag van € 65.000,00. Uit het door [gedaagde01] gevoerde verweer tegen de gestelde slechte financiële situatie waarin zij zou verkeren leidt de voorzieningenrechter af dat [gedaagde01] kennelijk niet dringend verlegen zat om de door haar gevorderde termijn van € 10.000,00. Daarnaast geldt dat [gedaagde01] zich eerder al bereid had getoond om de betaling van een bedrag van € 65.000,00 op te schorten als zekerheidstelling. Deze zekerheidstelling is alleszins redelijk, gelet op de onzekerheid met betrekking tot de uitkomst van de procedure in hoger beroep en de uitkomst van de schadestaatprocedure. Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat de belangen van [eiser01] bij schorsing van de executie zwaarder wegen dan de belangen van [gedaagde01] bij voortzetting van de executie.
De voorzieningenrechter ziet dan ook alle reden om de executie te schorsen gedurende de procedure in hoger beroep en gedurende de schadestaatprocedure in eerste aanleg. [gedaagde01] moet de schorsing van de executie zowel schriftelijk als mondeling aan de bank van [eiser01] meedelen, binnen twee dagen na heden, met een afschrift daarvan aan [eiser01] . Om ervoor te zorgen dat [gedaagde01] deze verplichting tijdig nakomt, zal [gedaagde01] bij niet tijdige nakoming een dwangsom verbeuren van € 80.000,00.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om het beslag in deze kort geding procedure op te heffen, omdat [eiser01] geen belang bij deze opheffing heeft aangevoerd.
In het feit dat partijen op onderdelen over een weer in het gelijk zijn gesteld, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

3.De beslissing

De voorzieningenrechter:
beveelt [gedaagde01] om de executie van het vonnis tussen partijen van 7 september 2022 onmiddellijk te schorsen en geschorst te houden totdat het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch in hoger beroep tegen het vonnis van 7 september 2022 een eindarrest heeft gewezen en de rechtbank Zeeland-West-Brabant eindvonnis heeft gewezen in de schadestaatprocedure tussen partijen, en beveelt [gedaagde01] daartoe de bank van [eiser01] in Duitsland daarvan binnen twee dagen na heden telefonisch en schriftelijk (per brief en per e-mail) mededeling te doen, met een afschrift van de schriftelijke mededelingen per e-mail aan de raadslieden van [eiser01] , zulks op straffe van een dwangsom van € 80.000,00,
compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat ieder der partijen de eigen proceskosten draagt,
verklaart dit vonnis – tot zover – uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de vordering voor het overige af.
Deze mondelinge uitspraak is gedaan door mr. Hermans, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in de aanwezigheid van mr. Hartman als griffier, waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal dat is verzonden op 9 augustus 2023.
Waarvan proces-verbaal,
de griffier, de voorzieningenrechter,