In deze kort geding procedure stond de vraag centraal of het executoriaal beslag gelegd door [gedaagde01] op 1 augustus 2023 opgeheven moest worden en of de executie geschorst kon worden gedurende de procedure in hoger beroep en de schadestaatprocedure in eerste aanleg.
Eiser [eiser01] stelde primair dat partijen een opschortingsafspraak hadden gemaakt over betaling van twee termijnen, maar deze afspraak werd door gedaagde betwist en was niet volledig schriftelijk vastgelegd, waardoor bewijs in kort geding ontbrak. Subsidiair verzocht eiser schorsing van de executie op grond van belangenafweging, waarbij zij wees op het restitutierisico vanwege de vermeende slechte financiële positie van gedaagde en het feit dat zij reeds een substantieel bedrag had betaald.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de primaire grondslag niet kon slagen wegens gebrek aan bewijs. Bij de subsidiaire belangenafweging woog mee dat eiser al € 210.000 had betaald en dat het te betalen bedrag relatief klein was. Ook was gedaagde niet dringend verlegen om het bedrag en had zij eerder bereidheid getoond tot opschorting tegen zekerheidstelling. Daarom woog het belang van eiser bij schorsing zwaarder dan het belang van gedaagde bij voortzetting van de executie.
De executie werd geschorst tot het eindarrest van het hof en het eindvonnis in de schadestaatprocedure. Gedaagde werd verplicht dit schriftelijk en mondeling aan de bank van eiser te melden, onder dreiging van een dwangsom van € 80.000. Het beslag werd niet opgeheven en de proceskosten werden gecompenseerd, ieder draagt eigen kosten.