ECLI:NL:RBZWB:2023:59

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 januari 2023
Publicatiedatum
5 januari 2023
Zaaknummer
AWB- 22_5238
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling wegens niet-tijdige beslissing op bezwaar omgevingsvergunning

Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op hun bezwaar tegen een omgevingsvergunning voor het verbouwen van een berging. Nadat verweerder alsnog op het bezwaar heeft beslist, hebben verzoekers het beroep ingetrokken en verzocht om proceskostenvergoeding.

De rechtbank heeft overwogen dat verweerder niet tijdig heeft beslist en dat dit een lichte zaak betreft volgens jurisprudentie. Op grond van artikel 8:75a Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoekers.

De proceskosten worden vastgesteld op €418,50, gebaseerd op een wegingsfactor van 0,5 en een puntwaarde van €837,-. Daarnaast wijst de rechtbank erop dat verweerder verplicht is het griffierecht van €184,- te vergoeden. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 5 januari 2023.

Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van verzoekers wegens niet tijdig beslissen op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/5238

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 januari 2023 in de zaak tussen

[naam verzoeker 1] en [naam verzoeker 2] , uit [plaatsnaam] , verzoekers

(gemachtigde: mr.drs. J.M. Lammers),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder.

Procesverloop

Verzoekers hebben bij brief van 9 november 2022 beroep ingesteld omdat verweerder volgens hun niet op tijd heeft beslist op het bezwaar van 31 mei 2022 tegen het besluit van 21 april 2022 betreffende het verlenen van een omgevingsvergunning voor het verbouwen van een berging aan de [adres] 15 te [plaatsnaam] .
Bij besluit van 28 november 2022 heeft verweerder op het bezwaar beslist.
Naar aanleiding hiervan hebben verzoekers het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld dat er niet tijdig is beslist en dat in deze gevallen een wegingsfactor van zeer licht (0,25) dient te worden toegepast.

Overwegingen

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoet gekomen aan het beroep van verzoekers.
Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Anders dan verweerder verzoekt, merkt de rechtbank het gewicht van de onderhavige zaak aan als licht. Dit gelet op de geldende jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin is overwogen dat geschillen met betrekking tot het uitblijven van een besluit als licht moeten worden beschouwd. [1] Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 418,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837,- met een wegingsfactor 0,5).
De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoekers betaalde griffierecht van € 184,- te vergoeden. Verzoekers zullen zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 418,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 5 januari 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2022:1683