Belanghebbende is eigenaar van een hoekwoning met een inhoud van 395 m³, uitgebreid met een aanbouw, garage en dakterras, gelegen op een perceel van 223 m². De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van de woning per 1 januari 2019 vast op €298.000 en legde op basis daarvan een aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) op. Belanghebbende voerde bezwaar aan tegen de beschikking en aanslag, stellende dat de waarde te hoog is en dat de heffingsambtenaar niet alle gevraagde gegevens inzake de waardebepaling heeft verstrekt.
De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar niet tijdig en volledig heeft voldaan aan de toezendplicht van bepaalde waardegegevens zoals de grondstaffel, taxatiekaart en KOUDV- en liggingsfactoren, hetgeen in strijd is met artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ. Dit gebrek is echter hersteld door het indienen van een taxatierapport in de beroepsfase, zodat het beroep inhoudelijk kan worden beoordeeld.
De waarde is vastgesteld met de vergelijkingsmethode, waarbij drie referentiewoningen uit dezelfde wijk en met vergelijkbare kenmerken zijn gebruikt. De rechtbank acht deze referentiewoningen voldoende vergelijkbaar en vindt dat de heffingsambtenaar voldoende rekening heeft gehouden met verschillen in voorzieningen en grondwaarde. Belanghebbende heeft onvoldoende onderbouwing geleverd voor zijn stelling dat de woningwaarde te hoog is vastgesteld.
Verder is de redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar en beroep met 18 maanden overschreden, waarvoor belanghebbende een immateriële schadevergoeding van €150 wordt toegekend, waarvan €25 voor rekening van de heffingsambtenaar en €125 voor rekening van de Staat. De heffingsambtenaar wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de beschikking en aanslag blijven in stand.