ECLI:NL:RBZWB:2023:6015
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waardebeschikking en aanslag OZB woning
Belanghebbende is eigenaar van een vrijstaande woning met diverse bijgebouwen en een perceel van 3.495m², gelegen nabij een watergang, tunnelweg en hoogspanningsmast. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde per 1 januari 2020 vast op €414.000 en legde daarop de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor 2021 op.
Belanghebbende voerde bezwaar aan tegen deze waardering en stelde dat de waarde maximaal €375.000 bedraagt. Tevens stelde hij dat de heffingsambtenaar niet tijdig de waardeberekening met grondstaffel had verstrekt en dat de uitspraak op bezwaar onvoldoende was gemotiveerd. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar voldeed aan zijn verplichtingen omtrent inzage en motivering.
De rechtbank toetste de waardering aan de hand van de vergelijkingsmethode, waarbij de heffingsambtenaar drie vergelijkingsobjecten gebruikte. De verschillen tussen deze objecten en de woning werden inzichtelijk gemaakt en waardeverminderingen toegepast voor de watergang, drukke ligging en hoogspanningsmast. De rechtbank vond de onderbouwing voldoende en concludeerde dat de waarde niet te hoog was vastgesteld.
Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de WOZ-waarde en de aanslag OZB gehandhaafd blijven. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter J.P.A. Boersma en openbaar gemaakt op 24 augustus 2023.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waardebeschikking en aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en de waarde van €414.000 gehandhaafd.