ECLI:NL:RBZWB:2023:6119

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
7 september 2023
Publicatiedatum
4 september 2023
Zaaknummer
23-010867 en 23-011089
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94a SvArt. 552a SvArt. 552d lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing op klaagschriften tegen conservatoir beslag wegens verdenking drugshandel

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde klaagschriften van een verdachte tegen conservatoir beslag op diverse persoonlijke en zakelijke goederen, waaronder sieraden, elektronica en een zakelijke bankrekening. De verdachte wordt verdacht van invoer van 57 kilogram cocaïne, handel in harddrugs en witwassen, met een geschat wederrechtelijk voordeel van ruim €700.000.

De rechtbank overwoog dat het beslag proportioneel is gezien de verdenking en het hoge bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel. De procedure is summier van aard en de rechtbank toetst of het redelijk is dat de strafrechter later een geldboete of ontnemingsmaatregel oplegt. Voor de meeste goederen werd het klaagschrift ongegrond verklaard omdat het beslag dient ter zekerheid van mogelijke toekomstige verplichtingen.

Uitzondering vormden drie kinderarmbandjes met naamplaatjes, die een geringe verhaalswaarde maar een hoge emotionele waarde hebben voor de kinderen van de verdachte. Voor deze armbandjes werd het klaagschrift gegrond verklaard en werd teruggave gelast. De overige klaagschriften werden afgewezen.

De beslissing werd genomen door een raadkamer van drie rechters en is uitgesproken op 7 september 2023. Tegen deze beslissing staat beroep in cassatie open.

Uitkomst: Het beslag wordt gehandhaafd behalve voor kinderarmbandjes die worden teruggegeven wegens disproportionaliteit.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Locatie Breda
parketnummer: 02-086383-23
rk.nummer: 23-010867 en 23-011089
Beslissing op de klaagschriften ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van:
[klager] ,
geboren op [geboortedag] 1982, te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezende ten kantore van mr. M.E. Broekert, Parkstraat 10, 4818 SJ Breda,
hierna te noemen: klager.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
  • de kennisgeving van inbeslagname op grond van artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv), waaruit blijkt dat op onder klager in het strafvorderlijk onderzoek tegen hem in beslag zijn genomen: diverse sieraden, parfum, schoenen, een geldtelmachine, een Apple Notebook, een iPhone en (design) tassen. Tevens is er conservatoir beslag gelegd op de zakelijke bankrekening van klager.
  • De klaagschriften, ingediend op 1 mei 2023, met een aanvulling op 3 mei 2023 (hierna: klaagschrift 1 betreffende het conservatoir beslag op de bankrekening) en een klaagschrift dat is ingediend op 2 mei 2023, met een aanvulling op 21 augustus 2023 (hierna: klaagschrift 2 betreffende het conservatoir beslag op de overige spullen), ter griffie van deze rechtbank ingevolge artikel 552a Sv;
  • het verweerschrift van de officier van justitie; en
  • de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Het klaagschrift is behandeld in raadkamer op 23 augustus 2023. Gehoord zijn de officier van justitie, mr. R.S. Jacobs, klager, mr. M.E. Broekert als raadsvrouw en mevrouw [belanghebbende] als belanghebbende.
De klaagschriften strekken tot opheffing van de gelegde beslagen met last tot teruggave aan de klager. Over het conservatoir beslag op de zakelijke bankrekening van klager is betoogd dat de berekening van de ontnemingsvordering onjuist is en veel te hoog is ingeschat en dat het onevenredig belastend is om het beslag te handhaven nu het bedrijf van klager door dit beslag ernstig wordt benadeeld. Er worden momenteel binnen het bedrijf als gevolg van het beslag veel schulden gemaakt. Over de sieraden is betoogd dat er vele sieraden zijn met een relatief lage waarde, maar voor klager en zijn vrouw hebben deze sieraden een zeer hoge, emotionele waarde. Ook voor de overige goederen wordt om teruggave gevraagd. Het beslag is disproportioneel.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er een fikse verdenking is tegen verdachte. Hij wordt verdacht van de invoer van 57 kilogram cocaïne en voorbereidingshandelingen van de handel in harddrugs en witwassen. Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt ingeschat op ruim € 700.000,=. Het beslag is, gelet op dit hoge bedrag, proportioneel en niet in strijd met het subsidiariteitsbeginsel. Het is niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter later oordelend een geldboete van de vijfde categorie en/of een ontnemingsmaatregel zal opleggen.

2.De beoordeling

De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
De klaagschriften zijn tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in de klaagschriften.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over de klaagschriften tegen het conservatoir beslag dat is gelegd op grond van artikel 94a Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad sinds HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 r.o. 2.14, dient de rechter, in geval van een klaagschrift tegen een op grond van artikel 94a, eerste of tweede lid, Sv gelegd beslag te onderzoeken:
(i) of ten tijde van de beslissing op het klaagschrift sprake van een redelijk vermoeden van schuld van een misdrijf waarvoor een geldboete van
de vierde(in het geval van conservatoir beslag tot bewaring van het recht tot verhaal voor een schadevergoedingsmaatregel, artikel 94a lid 3 Sv)
of vijfde categorie(in het geval van conservatoir beslag tot bewaring van het recht tot verhaal voor een geldboete of ontnemingsmaatregel, respectievelijk artikel 94a lid 1 en 2 Sv) kan worden opgelegd; en
(ii) of zich het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel dan wel een schadevergoedingsmaatregel zal opleggen.
Bij de beoordeling van de vraag of de klager die stelt eigenaar te zijn, inderdaad redelijkerwijs als rechthebbende op het inbeslaggenomene kan worden aangemerkt zal de rechter niet hoeven te treden in de beslechting van burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwesties, maar zal daarbij wel civielrechtelijke aspecten mogen betrekken (vgl, HR 6 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3826, NJ 2003, 459).
Het gaat in de beslagprocedure om een voorlopig oordeel omtrent de eigendomsrechten ten aanzien van het in het geding zijnde voorwerp. Klager en zijn partner zijn in gemeenschap van goederen getrouwd. Dat betekent dat de tassen en sieraden in de huwelijksgemeenschap vallen.
De toe te passen maatstaf sluit niet uit dat de rechtbank, indien de omstandigheden van het geval dat meebrengen, bij de beoordeling van het klaagschrift tevens onderzoekt of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit (vgl. HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:38, NJ 2014/66, r.o. 2.6).
De rechtbank stelt vast dat sprake is van een verdenking ter zake van een misdrijf bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie. De rechtbank is van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, een geldboete tot tenminste de hoogte van de waarde van de in beslag genomen voorwerpen zal opleggen, dan wel aan verdachte de verplichting tot betaling van een geldbedrag tot ten minste die hoogte ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. Aangezien deze voorwerpen dus in zoverre kunnen strekken tot zekerheid van de nakoming van zodanige verplichtingen, dienen de klaagschriften ongegrond te worden verklaard.
Dit ligt anders voor wat betreft de in beslag genomen drie kinderarmbandjes met naamplaatjes, die de kinderen van klager hebben gekregen van hun (inmiddels overleden) grootmoeder. Aannemelijk is geworden dat deze armbandjes een geringe verhaalswaarde hebben en juist een hoge emotionele waarde. Om die reden zal de rechtbank het klaagschrift, ten aanzien van deze goederen gegrond verklaren, omdat het beslag met betrekking tot die goederen disproportioneel is.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de klaagschriften voor het overige ongegrond verklaren.

3.De beslissing

De rechtbank verklaart:
-het klaagschrift 2, voor zover het ziet op de kinderarmbandjes met naamplaatjes van de kinderen, gegrond en gelast de teruggave van die armbandjes aan klager;
-de klaagschriften voor het overige ongegrond.
Deze beslissing is op 7 september 2023 gegeven door mr. N. van der Ploeg-Hogervorst, voorzitter, mr. C.H.W.M. Sterk en mr. A.B. Scheltema Beduin, rechters, in tegenwoordigheid van G.T.A. Schuurmans-Knoop, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 september 2023.
Mr. Van der Ploeg-Hogervorst en mr. Scheltema Beduin zijn niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing
beroep in cassatieworden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).