ECLI:NL:RBZWB:2023:6162
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen kostenvergoeding bezwaarfase parkeerbelasting afgewezen als kennelijk ongegrond
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van de gemeente Breda inzake de kostenvergoeding voor de bezwaarfase van een naheffingsaanslag parkeerbelasting.
De kern van het geschil betreft de hoogte van de proceskostenvergoeding, waarbij belanghebbende aanvoert dat door de latere bekendmaking van de uitspraak op bezwaar in 2023 een onjuist tarief is toegepast. De rechtbank stelt vast dat de uitspraak op bezwaar is gedateerd op 29 december 2022 en dat bekendmaking per e-mail pas op 10 januari 2023 plaatsvond.
De rechtbank oordeelt dat bekendmaking geen voorwaarde is voor de totstandkoming van het besluit en dat er geen aanwijzingen zijn dat het besluit niet in 2022 tot stand is gekomen. Daarom is het door de heffingsambtenaar gehanteerde tarief uit 2022 correct toegepast.
Gezien deze overwegingen verklaart de rechtbank het beroep kennelijk ongegrond en wijst het af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de kostenvergoeding in de bezwaarfase van de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt kennelijk ongegrond verklaard en afgewezen.