ECLI:NL:RBZWB:2023:6192

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 september 2023
Publicatiedatum
5 september 2023
Zaaknummer
BRE 23/2880
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning proceskostenvergoeding na intrekking beroep parkeerbelasting

Belanghebbende had beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting van de heffingsambtenaar van de gemeente Breda. Dit beroep werd ingetrokken nadat de heffingsambtenaar op 25 juli 2023 tegemoet was gekomen aan de klachten van belanghebbende door het alsnog toekennen van een procespunt voor de hoorzitting.

De rechtbank beoordeelde het verzoek om proceskostenveroordeling en oordeelde dat de heffingsambtenaar geheel aan belanghebbende was tegemoetgekomen. Hierdoor was toekenning van proceskostenvergoeding passend.

De vergoeding werd berekend op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht, waarbij voor de ingediende proceshandeling een vast bedrag werd toegekend, verminderd met een factor vanwege het lichte gewicht van de zaak. Tevens werd bepaald dat de heffingsambtenaar het betaalde griffierecht dient te vergoeden en dat wettelijke rente verschuldigd is indien betaling niet binnen vier weken na uitspraak plaatsvindt.

De rechtbank deed deze uitspraak zonder zitting en stelde partijen in de gelegenheid verzet in te dienen binnen zes weken na verzending van de uitspraak.

Uitkomst: De heffingsambtenaar is veroordeeld tot betaling van €209,25 aan proceskosten en het griffierecht aan belanghebbende.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/2880

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 september 2023 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,

(gemachtigde: mr. I.N.D.J. Rissema),
en

De heffingsambtenaar van de gemeente Breda, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van belanghebbende om een veroordeling van de heffingsambtenaar in de proceskosten. Belanghebbende heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroep tegen het besluit van de heffingsambtenaar van 8 mei 2023. Het beroep ziet op de kostenvergoeding inzake de naheffingsaanslag parkeerbelasting met [aanslagnummer]. Hij heeft het beroep ingetrokken omdat de heffingsambtenaar op 25 juli 2023 tegemoet is gekomen aan de klachten van belanghebbende.
1.1.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
Is de heffingsambtenaar aan belanghebbende tegemoetgekomen?
4. De rechtbank moet dus beoordelen of de heffingsambtenaar geheel of gedeeltelijk aan belanghebbende is tegemoetgekomen.
4.1.
Op 19 mei 2023 heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen het bestreden besluit waarin het bezwaar van belanghebbende gegrond is verklaard en er kostenvergoeding is toegekend voor het indienen van een bezwaarschrift. De heffingsambtenaar heeft op 25 juli 2023 medegedeeld dat er onterecht geen procespunt is gegeven voor de hoorzitting en dat dit alsnog toegekend moet worden. Hiermee is de heffingsambtenaar tegemoetgekomen aan het beroep van belanghebbende.
Welk bedrag aan proceskosten moet de heffingsambtenaar aan belanghebbende vergoeden?
5. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Belanghebbende krijgt een vergoeding van zijn proceskosten in beroep. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 837,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend. Omdat de zaak een zeer licht gewicht heeft, is op de waarde de factor 0,25 toegepast. De vergoeding van proceskosten bedraagt dan in totaal € 209,25.
Krijgt belanghebbende een vergoeding van het griffierecht?
6. De rechtbank wijst erop dat de heffingsambtenaar verplicht is het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 50,- te vergoeden. [3] . Belanghebbende moet zich hiervoor dan ook tot de heffingsambtenaar wenden.
Maakt belanghebbende aanspraak op een rentevergoeding?
7. Belanghebbende heeft daarbij aanspraak gemaakt op vergoeding van rente in verband met het griffierecht en de proceskostenvergoeding. De rechtbank honoreert die aanspraak in zoverre dat recht bestaat op een vergoeding van wettelijke rente indien de proceskostenvergoeding en/of het griffierecht niet aan belanghebbende wordt uitbetaald vinnen vier weken na de datum van deze uitspraak.

Beslissing

De rechtbank:
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 209,25 aan proceskosten aan belanghebbende
- beslist dat, voor zover de proceskotenvergoeding en/of het griffierecht niet tijdig wordt betaald, de wettelijke rente daarover in zoverre is gaan lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van N. Plasman, griffier, op 13 september 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
(De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.)
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van verzet is verstreken of, indien verzet wordt ingesteld, op dat verzet is beslist.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3.Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.