Belanghebbende had beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting van de heffingsambtenaar van de gemeente Breda. Dit beroep werd ingetrokken nadat de heffingsambtenaar op 25 juli 2023 tegemoet was gekomen aan de klachten van belanghebbende door het alsnog toekennen van een procespunt voor de hoorzitting.
De rechtbank beoordeelde het verzoek om proceskostenveroordeling en oordeelde dat de heffingsambtenaar geheel aan belanghebbende was tegemoetgekomen. Hierdoor was toekenning van proceskostenvergoeding passend.
De vergoeding werd berekend op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht, waarbij voor de ingediende proceshandeling een vast bedrag werd toegekend, verminderd met een factor vanwege het lichte gewicht van de zaak. Tevens werd bepaald dat de heffingsambtenaar het betaalde griffierecht dient te vergoeden en dat wettelijke rente verschuldigd is indien betaling niet binnen vier weken na uitspraak plaatsvindt.
De rechtbank deed deze uitspraak zonder zitting en stelde partijen in de gelegenheid verzet in te dienen binnen zes weken na verzending van de uitspraak.