ECLI:NL:RBZWB:2023:6197

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 september 2023
Publicatiedatum
5 september 2023
Zaaknummer
BRE 23/1007
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen kostenvergoeding bezwaarfase naheffingsaanslag parkeerbelasting kennelijk ongegrond verklaard

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van de gemeente Breda inzake de kostenvergoeding voor de bezwaarfase van een naheffingsaanslag parkeerbelasting. De kern van het geschil betreft de hoogte van de proceskostenvergoeding, waarbij belanghebbende stelt dat door de latere bekendmaking van het besluit per e-mail in 2023 een onjuist tarief is gehanteerd.

De rechtbank oordeelt dat de bekendmaking van het besluit geen voorwaarde is voor de totstandkoming daarvan en dat het besluit in 2022 is genomen. Daarom is het tarief uit 2022 terecht toegepast. De latere bekendmaking in 2023 rechtvaardigt geen andere conclusie. Het beroep wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant en openbaar gemaakt via geanonimiseerde publicatie. Partijen is gewezen op de mogelijkheid tot het indienen van een verzetschrift binnen zes weken na verzending van de uitspraak.

Uitkomst: Het beroep tegen de kostenvergoeding in de bezwaarfase van de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt kennelijk ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/1007

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2023 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,

(gemachtigde: mr. I.N.D.J. Rissema),
en

De heffingsambtenaar van de gemeente Breda, de heffingsambtenaar.

Procesverloop

De gemachtigde heeft tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 29 december 2022 beroep ingesteld. Het beroep ziet op de kostenvergoeding voor de bezwaarfase inzake de naheffingsaanslag parkeerbelasting met [aanslagnummer].

Overwegingen

Omdat het beroep kennelijk ongegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De rechtbank legt hierna uit waarom het beroep kennelijk ongegrond is.
Vast staat dat de dagtekening van de uitspraak op bezwaar 29 december 2022 is. De gemachtigde stelt dat de uitspraak op bezwaar feitelijk pas op 10 januari 2023 per e-mail bekend is gemaakt.
De reden van beroep ziet op de hoogte van de proceskostenvergoeding in de bezwaarfase. Belanghebbende is van mening door de latere bekendmaking door de heffingsambtenaar een onjuist tarief voor de kostenvergoeding is gehanteerd.
Naar het oordeel van de rechtbank kan deze stelling niet slagen. Bekendmaking van een besluit is geen voorwaarde voor de totstandkoming daarvan. [1] Er zijn geen aanwijzingen dat het besluit niet in 2022 tot stand is gekomen. De heffingsambtenaar heeft bij de beslissing inzake de kostenvergoeding dus terecht het tarief zoals dat gold in 2022 gehanteerd. Dat de uitspraak op bezwaar pas in 2023 is bekendgemaakt kan niet de conclusie rechtvaardigen dat de heffingsambtenaar een onjuist besluit heeft genomen gelet op het in de voetnoot aangehaalde arrest van de Hoge Raad.
Het beroep is daarom kennelijk ongegrond.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van N. Plasman, griffier, op 8 september 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
(De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.)
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Zie Hoge Raad 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW0194