ECLI:NL:RBZWB:2023:6392
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aflossingscapaciteit na wetswijziging beslagvrije voet door gemeente Breda
Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen het door het college van burgemeester en wethouders van Breda vastgestelde aflossingsbedrag van hun schulden, oorspronkelijk vastgesteld op € 81,04 per maand. Het college handhaafde dit bedrag in het bestreden besluit I, maar verlaagde het vervolgens in het bestreden besluit II naar € 76,02 per maand.
De rechtbank stelde vast dat het bestreden besluit II als een nieuw besluit moet worden beschouwd en dat eisers voldoende belang hebben bij het beroep tegen beide besluiten. De rechtbank oordeelde dat het beroep tegen het bestreden besluit I deels gegrond is vanwege de wijziging in het bestreden besluit II, maar dat het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond is.
De rechtbank motiveerde dat het college terecht gebruik heeft gemaakt van de nieuwe, vereenvoudigde regeling voor de beslagvrije voet die sinds 1 januari 2021 geldt. Deze regeling hanteert een beslagvrije voet van minimaal 95% van het netto-inkomen inclusief vakantietoeslag voor inkomens tot aan de bijstandsnorm, waardoor eisers enige afloscapaciteit hebben. Het inkomen van eisers lag onder de relevante bijstandsnorm, waardoor het college de aflossingscapaciteit correct heeft berekend.
Eisers konden geen bijzondere omstandigheden aantonen om af te wijken van de wet- en regelgeving. De rechtbank kende eisers een proceskostenvergoeding toe vanwege het deels gegrond verklaarde beroep tegen het bestreden besluit I en veroordeelde het college tot betaling van € 2.092,50 aan proceskosten.
Uitkomst: Het college heeft de aflossingscapaciteit terecht verlaagd naar € 76,02 per maand; het beroep tegen het eerste besluit is deels gegrond, tegen het tweede ongegrond.