ECLI:NL:RBZWB:2023:6393
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling navordering en aftrekbaarheid Duitse arbeidsongeschiktheidsverzekeringspremies
Belanghebbende maakte bezwaar tegen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2016-2018 en aanslag 2019, inclusief belastingrente en een dwangsombeschikking. De kern van het geschil betrof de aftrekbaarheid van premies betaald aan een Duitse arbeidsongeschiktheidsverzekeraar.
De rechtbank oordeelde dat het hoorrecht in bezwaar niet was geschonden, omdat belanghebbende voorafgaand aan de beslissing was gehoord en geen opmerkingen maakte over het hoorverslag. De inspecteur beschikte over een nieuw feit, namelijk de informatie over de Duitse verzekering die pas bij de controle van 2019 werd verstrekt, waardoor navordering over eerdere jaren gerechtvaardigd was. Er was geen sprake van ambtelijk verzuim.
Juridisch werd geoordeeld dat belanghebbende niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 3.126, eerste lid onder c van de Wet IB 2001, omdat hij gedurende de gehele looptijd binnenlands belastingplichtig was en de verzekering niet was afgesloten vóór het ontstaan van binnenlandse belastingplicht. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde wegens gebrek aan bijkomende omstandigheden.
De dwangsombeschikking werd eveneens afgewezen omdat de ingebrekestelling prematuur was. De navorderingsaanslagen en aanslag bleven in stand, evenals de belastingrente. Belanghebbende kreeg geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.
Uitkomst: De beroepen tegen de navorderingsaanslagen en aanslag IB/PVV zijn ongegrond verklaard en blijven in stand.