ECLI:NL:RBZWB:2023:6514

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 september 2023
Publicatiedatum
15 september 2023
Zaaknummer
10244985 \ CV EXPL 22-3898 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Ebben
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 lid 1 Brussel I-bis VerordeningArt. 2 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 4 lid a Rome I-VerordeningArt. 12 lid 2 Rome I-Verordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering terugbetaling aanbetaling vrachtwagen wegens ontbreken partijstatus eiser

Op 6 juli 2021 werd een koopovereenkomst gesloten voor een DAF truck met een aanbetaling van €4.000. Eiser stelde dat hij deze aanbetaling had gedaan en vorderde terugbetaling omdat de koop niet doorging. Gedaagde betwistte dat eiser partij was bij de overeenkomst en stelde dat de aanbetaling door het Nigeriaanse bedrijf Amarena Chemical & Oil Company LTD was gedaan, niet door eiser persoonlijk.

De kantonrechter oordeelde dat eiser niet als partij bij de koopovereenkomst kan worden aangemerkt en dat de vordering daarom niet op hem kan worden gebaseerd. Tijdens de mondelinge behandeling stelde eiser dat hij namens Amarena handelde, maar er waren geen concrete aanwijzingen of bewijs dat hij als lastgever optrad. Hierdoor kon hij de vordering niet instellen.

De rechter wees de vordering af en veroordeelde eiser in de proceskosten. Gedaagde, die in persoon optrad, kreeg een vergoeding voor reis- en verblijfkosten toegekend. De Nederlandse rechter werd bevoegd geacht op grond van Brussel I-bis Verordening en Nederlands recht was van toepassing conform Rome I-Verordening.

Uitkomst: Vordering tot terugbetaling aanbetaling afgewezen omdat eiser geen partij is bij de koopovereenkomst.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 10244985 \ CV EXPL 22-3898
Vonnis van 13 september 2023
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. T.O. Sohansingh,
tegen
[gedaagde] , H.O.D.N. [bedrijf gedaagde]
,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenvonnis van 15 maart 2023 met de daarin genoemde stukken;
  • de op 16 juni 2023 door de griffie ontvangen akte met producties van [gedaagde] ;
  • de spreekaantekeningen van [eiser] ;
  • de mondelinge behandeling van 11 augustus 2023, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 6 juli 2021 is een koopovereenkomst gesloten voor een DAF truck voor een bedrag van € 11.500,00. Er is hierbij een aanbetaling gedaan van € 4.000,00.
2.2.
Het sluiten van de koopovereenkomst vond plaats bij [gedaagde] . [eiser] was hierbij aanwezig samen met nog twee andere mannen. Op dat moment is er samen op het internet gekeken naar het bedrijf Amarena Chemical & Oil Company LTD.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 3.565,00, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat partijen een koopovereenkomst hebben gesloten, maar dat de koop niet meer is door gegaan en de door hem betaalde aanbetaling dus onverschuldigd is betaald. [eiser] voert aan dat hij de truck heeft gekocht om te kunnen verkopen in Nigeria. Door overmacht kon hij zijn verplichtingen niet nakomen en wilde hij de koop niet langer voortzetten. [eiser] heeft [gedaagde] toestemming gegeven om de truck aan een derde te verkopen en deze annulering heeft [gedaagde] geaccepteerd. [gedaagde] heeft vervolgens zonder enige rechtsgrondslag de aanbetaling, het bedrag van € 4.000,00, gehouden. [eiser] vordert daarom nu terugbetaling van dit bedrag, met aftrek van € 435,00 aan parkeerkosten, vermeerderd met rente en kosten.
3.3. '
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Allereerst vraagt [gedaagde] zich af of deze zaak wel bij de kantonrechter thuis hoort, omdat sprake is van een internationale zaak. Daarnaast betwist hij dat sprake is van een overeenkomst tussen [gedaagde] en [eiser] . [gedaagde] erkent dat hij een bedrag van € 4.000,00 als aanbetaling heeft ontvangen in het kader van de koopovereenkomst, maar hij betwist dat [eiser] deze aanbetaling heeft verricht. [gedaagde] voert aan dat er destijds drie mannen, waaronder [eiser] , bij hem langs zijn geweest, maar dat de overeenkomst is aangegaan namens het Nigeriaanse bedrijf genaamd Amarena Chemical & Oil Company LTD (hierna: “Amarena”). Uit onderzoek op het internet volgt dat de bestuurder van dit bedrijf ook [eiser] heet, maar niet “ [eiser] ” zoals eiser in deze zaak. [gedaagde] heeft de aanbetaling ontvangen van de bestuurder van Amarena, zodat [gedaagde] de aanbetaling niet aan [eiser] hoeft terug te betalen. Daarnaast voert [gedaagde] aan dat het restant aankoopbedrag niet binnen de afgesproken termijn werd betaald, waardoor de truck lang heeft stil gestaan en een dieselbacterie heeft gekregen. Hierdoor heeft hij schade geleden bestaande uit onder meer reparatiekosten die hij wil verrekenen met de aanbetaling.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Bevoegdheid
4.1. ’
[gedaagde] heeft aangevoerd dat sprake is van een internationaal geschil en dat de kantonrechter niet bevoegd is om kennis te nemen van dit geschil. Of de Nederlandse rechter bevoegd is om van de vordering kennis te nemen moet worden beoordeeld aan de hand van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012, betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Brussel I-bis Verordening). De kantonrechter oordeelt dat op grond van artikel 4 lid 1 van Pro de Brussel
I-bis Verordening, en op grond van de hoofdregel van artikel 2 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), de Nederlandse rechter bevoegd is om van dit geschil kennis te nemen, omdat [gedaagde] is gevestigd in Nederland en daardoor woonplaats heeft in Nederland.
Toepasselijk recht
4.2.
De vraag naar het toepasselijk recht moet worden beantwoord aan de hand van Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (hierna: Rome I-Verordening). Artikel 4 lid Pro sub a Rome I-Verordening bepaalt dat een overeenkomst voor de koop of verkoop van roerende zaken wordt beheerst door het recht van het land waar de verkoper zijn gewone verblijfplaats heeft. Nu [gedaagde] zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft, is Nederlands recht van toepassing. Ook op grond van artikel 12 lid 2 Rome Pro I-Verordening is het Nederlands recht van toepassing, omdat de (koop)overeenkomst in Nederland wordt nagekomen.
Wie zijn partij bij de koopovereenkomst?
4.3.
Ter beoordeling ligt voor of [eiser] de onderhavige vordering op persoonlijke titel kan instellen. De kantonrechter beantwoordt deze vraag ontkennend.
4.4.
Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft [eiser] zich op het standpunt gesteld dat hij de koopovereenkomst met [gedaagde] is aangegaan en dat hij in dit kader de aanbetaling heeft gedaan. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] echter gesteld dat hij de koopovereenkomst niet voor zichzelf, maar namens het bedrijf Amarena heeft gesloten. Concrete aanwijzingen waaruit zou moeten blijken dat [eiser] in deze procedure bijvoorbeeld als lastgever van Amarena optreedt ontbreken. Bovendien heeft [eiser] hierover ook niets concreet gesteld. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde] zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat niet [eiser] , maar Amarena de onderhavige vordering had moeten instellen. Het is niet mogelijk om de partij die als eiser optreedt in een procedure te wijzigen, zoals [eiser] voorstelt.
4.5.
Het voorgaande betekent dat de (aanvankelijk) door [eiser] gestelde rechtsverhouding tussen partijen niet is komen vast te staan. Dit brengt mee dat [eiser] [gedaagde] niet kan aanspreken en zijn vorderingen moeten worden afgewezen.
4.6.
Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht behoeft geen bespreking meer, aangezien dit in het licht van hetgeen in dit vonnis is overwogen, niet tot een andere beslissing kan leiden.
4.7.
[eiser] is de partij die ongelijk krijgt en hij zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. [gedaagde] is in deze procedure niet met een gemachtigde verschenen. Hij kan daarom geen aanspraak maken op het salaris voor een gemachtigde. Wel kunnen reis-, verblijf-, en verletkosten worden toegekend voor elke keer dat [gedaagde] op een zitting is verschenen, waarbij telkens het forfaitaire bedrag van € 50,00 kan worden toegekend. [gedaagde] is drie keer op een zitting verschenen, zodat een bedrag van € 150,00 zal worden toegewezen.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot dit vonnis vastgesteld op € 150,00.
Dit vonnis is gewezen door mr. Ebben en in het openbaar uitgesproken op
13 september 2023.