Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het ten laste gelegde feit.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 12 september 2023 de zaak tegen een minderjarige verdachte die werd verdacht van diefstal met geweld in de nacht van 24 augustus 2022. De officier van justitie stelde dat verdachte samen met een ander goederen had gestolen en daarbij geweld had gebruikt en gedreigd met geweld. Dit zou hebben plaatsgevonden in de woning van de aangevers.
De officier van justitie baseerde zich op verklaringen van aangevers en getuigen, het gebruik van een scooter gehuurd via het account van de zus van verdachte, en mastgegevens van de telefoon van verdachte die overeenkwamen met de route van de scooter. Verdachte ontkende betrokkenheid en verklaarde de nacht doorgebracht te hebben bij zijn oom.
De rechtbank oordeelde dat hoewel er aanwijzingen waren die duidden op betrokkenheid van verdachte, er geen concreet wettig en overtuigend bewijs was dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Er was geen forensisch onderzoek of andere objectieve bewijsmiddelen die de aanwezigheid van verdachte in de woning of het wegnemen van goederen bewezen.
Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde feit. Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer, waarbij één rechter niet in de gelegenheid was mede te ondertekenen.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.