ECLI:NL:RBZWB:2023:6614

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 augustus 2023
Publicatiedatum
20 september 2023
Zaaknummer
C/02/413043 / FA RK 23-3909
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Duinhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:331 lid 1 sub a BWArt. 1:266 lid 1 BWArt. 1:241 vierde lid BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing voogd en verlenging voorlopige voogdij in belang minderjarige

De kinderrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 25 augustus 2023 uitspraak gedaan in een rekestprocedure betreffende de voogdij over een minderjarige. De tante was eerder geschorst in haar voogdijfunctie en de voorlopige voogdij was aan Stichting Jeugdbescherming west Zeeland (GI) toegewezen. De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om voortzetting van deze situatie vanwege ernstige zorgen over de veiligheid en sociaal-emotionele ontwikkeling van de minderjarige.

Tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren werden verschillende betrokkenen gehoord, waaronder de pleegvader, de tante, de GI en de minderjarige zelf. De minderjarige gaf aan niet meer bij het pleeggezin te willen verblijven en wenste begeleid zelfstandig wonen. De tante gaf aan de zorg voor de minderjarige niet langer te kunnen dragen en wilde dat een professionele instantie de regie overnam.

De kinderrechter concludeerde dat de tante niet langer in staat is de voogdij adequaat uit te oefenen en dat het in het belang van de minderjarige is dat de GI als professionele instantie de voorlopige voogdij blijft voeren. De schorsing van de tante wordt daarom gehandhaafd en de voorlopige voogdij verlengd tot 17 november 2023, met de mogelijkheid tot verlenging indien voor die datum een definitieve voorziening wordt aangevraagd.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct gevolgd moet worden, ook bij eventueel hoger beroep.

Uitkomst: De schorsing van de tante als voogd wordt gehandhaafd en de voorlopige voogdij aan de GI verlengd tot 17 november 2023.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/413043 / FA RK 23-3909
Datum uitspraak: 25 augustus 2023
Nadere beschikking van de kinderrechter over schorsing van de voogdij en voorlopige voogdij
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
betreffende
[minderjarige01], geboren op [geboortedatum01] 2007 te [geboorteplaats01] ,
hierna te noemen: [minderjarige01] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de tante01],
hierna te noemen: de tante,
wonende te [woonplaats01] ,
[de pleegouders01],
hierna te noemen: de pleegouders,
wonende te [woonplaats02] .
Stichting Jeugdbescherming west Zeeland,
locatie Middelburg,
hierna te noemen: de GI.
Als informant is in de procedure betrokken:
mr. [naam01], advocaat te Middelburg, in haar hoedanigheid als voormalige bijzondere curator over de [minderjarige01] .

1.Het verdere procesverloop

1.1.
De kinderrechter verwijst naar zijn mondelinge beslissing van 18 augustus 2023, welke beslissing op 21 augustus 2023 op schrift is gesteld en is hersteld bij beschikking van 22 augustus 2023.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2023. Daarbij waren aanwezig:
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI;
- de pleegvader;
- de tante (digitaal via Teams);
- mr. [naam01] (digitaal via Teams).
1.3.
De kinderrechter heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling met [minderjarige01] gesproken en naar haar mening gevraagd. [minderjarige01] heeft tijdens dat gesprek haar mening kenbaar gemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige01] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
1.4.
De kinderrechter heeft mondeling uitspraak gedaan. Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter zijn beslissing aan [minderjarige01] medegedeeld en toegelicht.

2.De feiten

2.1.
De kinderechter verwijst voor de feiten naar de beschikking van 18 augustus 2023.
2.2.
Bij voornoemde beschikking heeft de kinderrechter, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden, de tante geschorst in de uitoefening van de voogdij over [minderjarige01] met ingang van 18 augustus 2023 en de GI belast met de voorlopige voogdij voor de duur van twee weken, te weten met ingang van 18 augustus 2023 tot 1 september 2023. Het resterende deel van het verzoek van de Raad is aangehouden.
2.3.
Bij beschikking van 22 augustus 2023 is de beschikking van 18 augustus 2023 hersteld, omdat laatstgenoemde beschikking een kennelijke schrijffout bevatte.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad heeft verzocht, uitvoerbaar bij voorraad, om de tante, op basis van artikel 1:331 lid 1 sub a Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW) geheel te schorsen in de uitoefening van de voogdij ten aanzien van de persoon en/of het vermogen van [minderjarige01] aangezien er een ernstig vermoeden bestaat dat de grond als bedoeld in artikel 1:266 lid 1 aanhef Pro en onder a of b BW is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen, en de GI te belasten met de voorlopige voogdij over de minderjarige voor de duur van de schorsing.
3.2.
Aan de orde is nog het resterende deel van het verzoek van de Raad om de tante in de voogdij over [minderjarige01] te schorsen en de GI te belasten met de voogdij met ingang van 1 september 2023 tot 18 november 2023.

4.De standpunten

4.1.
De Raad heeft zijn verzoek gehandhaafd. Er zijn op dit moment, en eigenlijk al langer, veel zorgen over de veiligheid en sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige01] . Er zijn grote zorgen over waar [minderjarige01] verblijft (de Raad heeft geprobeerd te controleren of zij bij de vriendin blijft bij wie zij zegt te verblijven maar dit is niet gelukt), met wie zij omgaat en over de keuzes die zij maakt. Het gedrag en de houding van [minderjarige01] zijn niet leeftijdsadequaat. Het is belangrijk dat de GI gaat kijken naar wat in het belang van [minderjarige01] is. Een gesloten plaatsing is op dit moment nog niet aan de orde, maar er moet een passende verblijfplek voor [minderjarige01] komen. Het is voor [minderjarige01] niet meer mogelijk om bij pleegouders te verblijven.
4.2.
Namens de GI is aangegeven dat [minderjarige01] specifiek heeft gevraagd naar de twee jeugdbeschermers die eerder betrokken zijn geweest en nu dus weer betrokken zijn. Het klopt dat [minderjarige01] nu bij een vriendin verblijft waar zij zegt te verblijven. De jeugdbeschermer heeft [minderjarige01] daar voorafgaand aan de mondelinge behandeling zelf opgehaald. De GI onderschrijft de zorgen die er over [minderjarige01] zijn. De komende periode zal moeten blijken wat een passende plek voor [minderjarige01] is. Volgende week staat een overleg met [zorginstelling01] gepland. Daarnaast is eerder voor [minderjarige01] therapie geadviseerd. Dit is tot op heden niet van de grond gekomen, maar komende periode wordt bekeken hoe dit alsnog opgepakt en vormgegeven kan worden.
Verder is het belangrijk dat ook wordt gekeken naar [naam02] , het zoontje van [minderjarige01] . De GI is er enigszins over verbaasd dat op dit moment alleen een verzoek ten aanzien van [minderjarige01] voorligt, nu [naam03] zijn situatie ook bij de Raad heeft voorgelegd.
4.3.
De pleegvader heeft verteld dat de situatie die nu is ontstaan, voor de pleegouders geen verrassing is geweest. Het negatieve gedrag van [minderjarige01] heeft zich in de afgelopen periode opgebouwd. [minderjarige01] is een beschadigd meisje en de pleegouders hebben eerder al aangegeven dat er voor [minderjarige01] meer hulp nodig is. De pleegouders houden van [minderjarige01] en geven aan dat [minderjarige01] een meisje is dat alle moeite waard is om voor te vechten. Zij kunnen echter de 24-uurs zorg die [minderjarige01] volgens hen nodig heeft niet bieden. Dit is absoluut geen verwijt vanuit de pleegouders richting [minderjarige01] ; [minderjarige01] kan daar zelf niks aan doen. Vanuit de pleegouders zal de deur voor [minderjarige01] altijd open staan – alleen al omdat ook de zorg van [naam02] aan de pleegouders is toevertrouwd – maar de vraag is of [minderjarige01] zelf open staat voor een terugkeer. De pleegvader schetst het beeld waarbij [minderjarige01] er alles aan doet om de dingen die mis gaan op de pleegouders te projecteren.
4.4.
De tante heeft aangegeven dat het haar veel moeite kost om bij de behandeling van de zaak aanwezig te zijn. Zij is nog net niet overspannen, maar het scheelt niet veel. De tante heeft er in de afgelopen tijd alles aan gedaan om [minderjarige01] te helpen. Zo is zij zelf minder gaan werken om er voor [minderjarige01] te kunnen zijn. De laatste tijd ziet de tante [minderjarige01] echter steeds verder afglijden. Het gaat niet goed met [minderjarige01] . Zij heeft professionele hulp nodig. Het lukt de tante op dit moment met moeite om haar eigen beslissingen te nemen, laat staan dat zij in staat is om de beslissingen over [minderjarige01] te nemen. Daarnaast heeft de tante ook nog de voogdij over [naam02] , voor wie zij beslissingen moet nemen. De tante zou graag zien dat een professionele instantie de regie ten aanzien van [minderjarige01] overneemt. Zij wil daarbij benadrukken dat zij bij haar keuze om niet langer belast te willen zijn met de voogdij over [minderjarige01] niet over één nacht ijs is gegaan. De tante heeft het beste met [minderjarige01] voor, maar zij gaat er zelf aan onderdoor. De tante realiseert zich dat dit voor [minderjarige01] voelt alsof de tante de volgende is die haar laat vallen, maar zij heeft [minderjarige01] proberen uit te leggen dat zij dit in het belang van [minderjarige01] doet en dat zij altijd van [minderjarige01] zal blijven houden.
4.5.
[minderjarige01] heeft tegen de kinderrechter verteld dat zij op dit moment bij een vriendin en haar moeder woont. Zij heeft daar haar eigen kamer. Op termijn wil [minderjarige01] graag, samen met haar zoontje [naam02] , begeleid gaan wonen. Zij wil hard werken om ervoor te zorgen dat haar zoontje een betere jeugd heeft dan zijzelf heeft gehad. [minderjarige01] wil niet meer terug naar het pleeggezin. De pleegouders hanteren een hele andere opvoeding dat [minderjarige01] gewend is. Bij de pleegouders moet [minderjarige01] meedoen aan geloofsgerelateerde activiteiten waar zij zelf niet achter staat. Zij mag haar pleegouders niet. De zorgen over haar herkent [minderjarige01] niet zo. Volgens [minderjarige01] heeft haar tante haar keuze al gemaakt. [minderjarige01] heeft daarom liever dat haar tante niet meer haar voogd is. Volgens [minderjarige01] heeft zij geen nieuwe voogd nodig. Zij kan voor zichzelf zorgen. Dat heeft ze ook altijd voor haar moeder en broertje gedaan. Daarnaast heeft zij liever dat ook [naam02] en haar broertje [naam04] niet meer in het pleeggezin blijven wonen.
4.6.
Mr. [naam01] heeft uitgelegd dat, in haar rol als voormalige bijzondere curator over [minderjarige01] , haar enige betrokkenheid bij [minderjarige01] in de afgelopen periode is geweest dat zij de Raad heeft ingeschakeld nadat de tante bij haar aan de bel heeft getrokken over het feit dat zij de situatie niet meer trok. Wanneer dat vanuit [minderjarige01] zelf of op verzoek van de kinderrechter nodig is, is mr. [naam01] bereid om opnieuw als bijzondere curator voor [minderjarige01] op te treden.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter ziet, iedereen gehoord hebbende, geen aanleiding om terug te komen op zijn eerdere beslissing van 18 augustus 2023 waarbij de tante is geschorst in de voogdij over [minderjarige01] en de GI is belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige01] . De kinderrechter deelt de grote zorgen die er over [minderjarige01] zijn. De kinderrechter wil zijn waardering uitspreken voor de betrokkenheid tot dusver van zowel de tante, als de pleegouders en mr. [naam01] bij [minderjarige01] . Tegelijkertijd stelt hij vast dat de tante niet meer in staat is de voogdij over [minderjarige01] in te vullen zoals dat zou moeten. Het is daarom noodzakelijk dat de GI als professionele instantie ook komende tijd betrokken blijft om de belangrijke beslissingen over [minderjarige01] te nemen. Iedereen, ook [minderjarige01] zelf, is het daarover eens. Dit alles maakt dat de kinderrechter van oordeel is dat de schorsing van de voogdij van de tante ook komende tijd gehandhaafd dient te blijven en dat het in het belang van [minderjarige01] is dat de GI met de voorlopige voogdij over [minderjarige01] blijft belast. Dit betekent dat het resterende deel van het verzoek van de Raad zal worden toegewezen.
5.2.
Gelet op artikel 1:241 vierde Pro lid Burgerlijk Wetboek vervalt de maatregel van voorlopige voogdij na drie maanden, in dit geval op 18 november 2023, tenzij vóór die datum aan de rechter een definitieve voorziening in de voogdij over [minderjarige01] is verzocht. In dat geval loopt de voorlopige voogdij door totdat op het verzoek om in de definitieve voogdij te voorzien is beslist.
5.3.
De kinderrechter, gelet op de aard van de maatregel, de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de Raad. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hiertegen hoger beroep wordt ingesteld.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
handhaaft de schorsing van [de tante01] , geboren op [geboortedatum02] 1969 te [geboorteplaats01] , in de uitoefening van de voogdij over [minderjarige01] ;
6.2.
verlengt de voorlopige voogdij van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming west Zeeland gevestigd te Middelburg, met ingang van 1 september 2023 tot en met 17 november 2023;
6.3.
stelt vast dat de voorlopige voogdij ook ná 17 november 2023 doorloopt, indien uiterlijk op die datum een definitieve voorziening in de voogdij over [minderjarige01] is verzocht;
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2023 door mr. Duinhof, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Lavrijssen als griffier en schriftelijk vastgesteld op 19 september 2023.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.