Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
,
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Deze civiele bodemzaak betreft een vordering van de curator van een Duits faillissement om betaling van 59 facturen door gedaagde, op grond van transportovereenkomsten met de failliete onderneming. Het faillissement werd in februari en april 2017 door een Duits gerecht geopend. Gedaagde betaalde de facturen tussen maart en juni 2017 volledig.
De curator stelt dat gedaagde ten tijde van de betalingen bekend was met het faillissement en daarom de betalingen niet bevrijdend zijn. Gedaagde betwist dit en beroept zich op het rechtsvermoeden van onbekendheid zoals neergelegd in artikel 24 van Pro de Insolventieverordening, dat inhoudt dat zij wordt geacht niet bekend te zijn geweest met het faillissement totdat het tegendeel is bewezen.
De curator probeerde bewijs te leveren door een getuige, de voormalig bestuurder van de failliete onderneming, te laten horen. Deze getuige verscheen niet, ook niet na een bevel tot medebrenging door de politie. De rechtbank oordeelt dat de curator het bewijsrisico draagt en dat het niet verschijnen van de getuige niet als bevestiging van de stellingen kan worden gezien. Ook is niet vastgesteld dat de curator een aan gedaagde gerichte brief over het faillissement daadwerkelijk heeft laten ontvangen.
Daarom wordt het rechtsvermoeden van onbekendheid niet weerlegd en is de betaling door gedaagde bevrijdend. De vordering wordt afgewezen en de curator wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Vordering curator afgewezen wegens onvoldoende bewijs dat gedaagde bekend was met het faillissement ten tijde van de betalingen.