ECLI:NL:RBZWB:2023:6721

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 september 2023
Publicatiedatum
27 september 2023
Zaaknummer
10252204 \ CV EXPL 22-3965 (E)
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Van 't Nedereind
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:166 lid 1 BWArt. 3:166 lid 2 BWArt. 6:119 BW
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling eenvoudige gemeenschap en gezamenlijke schuld na overlijden samenwonende partner

De moeder van eiser, de erflaatster, overleed onverwachts in 2022. Eiser is de enige erfgenaam en heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard. Gedaagde had een langdurige affectieve relatie met de erflaatster; zij woonden sinds december 2021 samen in een huurwoning. Er was geen huwelijk, geregistreerd partnerschap of samenlevingscontract.

Eiser vorderde betaling en afgifte van diverse nalatenschapsgoederen en bedragen van gedaagde, waaronder verandahout en inboedel, alsmede vergoeding van ten onrechte gedane betalingen. Gedaagde stelde dat het banksaldo en inboedel gemeenschappelijk waren en slechts de helft daarvan tot de nalatenschap behoorde, en voerde een verrekeningsverweer met betrekking tot een gezamenlijke geldlening bij ING.

De kantonrechter oordeelde dat sprake was van een eenvoudige gemeenschap tussen gedaagde en erflaatster, met gelijke verdeling van activa en passiva. De helft van het banksaldo en de inboedel, alsmede de helft van de gezamenlijke schuld, behoren tot de nalatenschap. De waarde van de inboedel werd geschat op €9.000, waarvan de helft toewijsbaar is. Na verrekening van de schuld resteert een bedrag van €4.776,58 dat gedaagde aan eiser dient te betalen.

De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij de eigen kosten draagt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde moet €4.776,58 aan eiser betalen met wettelijke rente, na verrekening van de gezamenlijke schuld.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 10252204 \ CV EXPL 22-3965
Vonnis van 20 september 2023
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. W.H.P. de Jongh,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 1 maart 2023
- de mondelinge behandeling van 24 juli 2023, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

2.De feiten

2.1.
Op [datum] 2022 is de moeder van [eiser] , wijlen [erflaatster] (hierna te noemen: [erflaatster] ), onverwachts overleden. [eiser] is de enige erfgenaam in de nalatenschap van [erflaatster] en hij heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard.
2.2.
[gedaagde] had op het moment van overlijden van [erflaatster] al lange tijd een affectieve relatie met haar. [gedaagde] en [erflaatster] waren niet getrouwd en zij hadden ook geen geregistreerd partnerschap of samenlevingscontract. Wel woonden [gedaagde] en [erflaatster] sinds december 2021 samen in de huurwoning waar [gedaagde] nu alleen woont. Daarvoor hebben [gedaagde] en [erflaatster] – (deels) ook samen met [eiser] – samengewoond in [plaats 3] .
2.3.
Op 17 augustus 2022 heeft de gemachtigde van [eiser] aan [gedaagde] een brief gestuurd. In deze brief vorderde [eiser] van [gedaagde] afgifte van verandahout (ter waarde van € 2.547,23) en betaling van de waarde van de overige in zijn bezit zijnde nalatenschapsgoederen ten bedrage van € 19.481,29 (€ 2.219,00 ten aanzien van rolluiken en € 17.262,29 ten aanzien van ‘overige’). Daarnaast vorderde [eiser] van [gedaagde] betaling van € 5.024,66 wegens ten onrechte door [gedaagde] gedane betalingen ten laste van de nalatenschap.
2.4.
[gedaagde] en [erflaatster] hadden een geldlening bij ING. Deze lening bedroeg op het moment van overlijden van [erflaatster] € 7.100,88.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – na eiswijziging tijdens de mondelinge behandeling – om [gedaagde] te veroordelen (uitvoerbaar bij voorraad) tot:
I. betaling van € 5.024,66 aan [eiser] op de ervenrekening [rekeningnummer 1] binnen acht dagen na betekening van dit vonnis;
II. betaling van € 2.547,23 en € 17.262,29 aan [eiser] op de ervenrekening [rekeningnummer 1] binnen acht dagen na betekening van dit vonnis;
III. een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf acht dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van de (volledige) betaling.
3.2.
[gedaagde] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] de enige erfgenaam is van [erflaatster] en dat [eiser] (dus) recht heeft op de volledige nalatenschap. Partijen verschillen echter van mening over wat onderdeel uitmaakt van de nalatenschap van [erflaatster] en wat de omvang daarvan is. [eiser] stelt dat het volledige banksaldo van de rekeningen [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 2] , die op naam van [erflaatster] stonden, en alle inboedelgoederen in de huurwoning onderdeel uitmaken van de nalatenschap. [gedaagde] voert daartegen als verweer dat het banksaldo op voormelde rekeningen en de inboedelgoederen in de huurwoning (inclusief het verandahout) gemeenschappelijk zijn, zodat daarvan slechts 50% in de nalatenschap valt. Bovendien begrijpt de kantonrechter dat [gedaagde] als verrekeningsverweer voert dat hij en [erflaatster] eveneens samen een schuld (geldlening bij ING) hadden waarvan het saldo op de overlijdensdatum (€ 7.100,88) eveneens voor 50% in de nalatenschap valt.
4.2.
De kantonrechter is van oordeel dat er tussen [gedaagde] en [erflaatster] wat betreft het saldo op de de hiervoor vermelde bankrekeningen en inboedelgoederen (inclusief het verandahout) sprake was van een eenvoudige gemeenschap in de zin van artikel 3:166 lid 1 BW Pro. Bij dat oordeel spelen met name een rol de lange relatie die [gedaagde] en [erflaatster] hebben gehad en de lange periode waarin zij hebben samengewoond. Ook het verloop op de bankrekeningen (inbreng van beiden en afschrijvingen van huur en overige vaste lasten) wijst op een gemeenschap. [eiser] heeft daar onvoldoende tegenover gezet, zodat [eiser] het verweer van [gedaagde] waarin hij een beroep doet op het bestaan van een gemeenschap onvoldoende heeft weersproken. Op grond van artikel 3:166 lid 2 zijn Pro de aandelen van de deelgenoten in een gemeenschap in beginsel gelijk, tenzij uit de rechtsverhouding van de deelgenoten iets anders voortvloeit. Weliswaar stelt [eiser] dat [erflaatster] meer geld inbracht, maar daar staat tegenover dat [gedaagde] onderbouwd en onweersproken heeft gesteld dat hij ook aanzienlijke bedragen heeft ingebracht en daarnaast ook veel huishoudelijke taken verrichtte. De kantonrechter ziet daarom geen reden om af te wijken van het wettelijke uitgangspunt van een gelijke verdeling van het betreffende gemeenschappelijke banksaldo en (de waarde van) de betreffende gemeenschappelijke inboedelgoederen.
4.3.
Daarnaast is de kantonrechter van oordeel dat er ten tijde van het overlijden van [erflaatster] sprake was van een gezamenlijke schuld aan ING van € 7.100,88. [eiser] heeft deze onderbouwde stelling van [gedaagde] onvoldoende weersproken. Dat de betreffende lening na het overlijden van [erflaatster] is overgezet op (naam van) [gedaagde] maakt het voorgaande oordeel niet anders. Immers, dat betreft – zonder nadere toelichting, die ontbreekt – alleen de rechtsverhouding met ING en niet de rechtsverhouding tussen [gedaagde] en [erflaatster] en/of [eiser] .
4.4.
Uit het voorgaande volgt dat de helft van de eenvoudige gemeenschap tussen [gedaagde] en [erflaatster] tot de nalatenschap behoort, evenals de helft van de gezamenlijke schuld van € 7.100,88. De kantonrechter begrijpt dat [eiser] en [gedaagde] willen dat de gemeenschap verdeeld wordt. Hierna zal de kantonrechter beoordelen wat dit betekent voor (de toewijsbaarheid van) de vorderingen van [eiser] .
4.5.
Wat betreft de gevorderde € 5.024,66 overweegt de kantonrechter het volgende. In aansluiting op hetgeen de kantonrechter al heeft overwogen valt in beginsel de helft van het banksaldo op [datum] 2022 op de rekeningen [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 2] in de nalatenschap. Blijkens de onweersproken bijlage 14 bij dagvaarding bedroeg het saldo op deze bankrekeningen op de overlijdensdatum van [erflaatster] respectievelijk € -734,09 en € 1363,47. Daar moet echter bij opgeteld worden het bedrag van € 5.024,66 dat [gedaagde] na het overlijden van [erflaatster] ten gunste van zichzelf van deze bankrekeningen heeft opgenomen. Daarom is van de gevorderde € 5.024,66 in beginsel € 2.827,02 ((€ -734,09 + € 1.363,47 + € 5024,66) / 2) toewijsbaar. Echter, tussen partijen is niet in geschil dat van voormelde € 5.024,66 onderdeel uitmaakt een bedrag van € 2.000,00 van opa dat volledig in de nalatenschap dient te vallen. Daarom is van de gevorderde € 5.024,66 een bedrag van € 3.827,02 ((€ -734,09 + € 1.363,47 + (€ 5.024,66 - € 2.000,00)) / 2 + € 2.000,00) toewijsbaar (behoudens verrekening).
4.6.
Wat betreft de gevorderde € 19.809,52 (€ 2.547,23 + € 17.262,29) ter zake van het verandahout en de (overige) inboedelgoederen overweegt de kantonrechter dat toewijsbaar is de helft van de marktwaarde van deze goederen ten tijde van het overlijden van [erflaatster] . Het is een feit van algemene bekendheid dat de waarde van zaken in beginsel aanzienlijk daalt na aankoop. Daarom schat de kantonrechter de totale waarde van de inboedelgoederen inclusief verandahout in totaal op € 9.000,00, zodat ter zake hiervan – behoudens verrekening – toewijsbaar is € 4.500,00 (€ 9.000,00 / 2).
4.7.
Gelet op het voorgaande dient [gedaagde] in beginsel een bedrag van € 8.327,02 (€ 3.827,02 + € 4.500,00) aan [eiser] te betalen. Echter, [gedaagde] heeft ook nog een verrekeninsverweer gevoerd voor een bedrag van € 3.550,44 (€ 7.100,88 / 2). Met verwijzing naar het overwogene onder 4.1, 4.3 en 4.4 oordeelt de kantonrechter dat dit verweer slaagt. Daarom komt dit bedrag in mindering op voormelde € 8.327,02, zodat per saldo [gedaagde] een bedrag verschuldigd is aan [eiser] van € 4.776,58 (€ 8.327,02 - € 3.550,44).
4.8.
Gelet op de relatie tussen partijen en het feit dat zij beiden op punten in het ongelijk zijn gesteld zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 4.776,58, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro daarover, vanaf acht dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van (volledige) betaling,
5.2.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.3.
bepaalt dat ieder van partijen de eigen proceskosten dient te dragen;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van 't Nedereind en in het openbaar uitgesproken op 20 september 2023.