Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het primair en subsidiair ten laste gelegde feit.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 6 februari 2023 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van mensensmokkel van acht Albanese personen naar Groot-Brittannië met een gehuurde boot. De officier van justitie stelde dat verdachte medepleger was, omdat hij de boot had gehuurd en samen met een medeverdachte handelde.
De verdediging voerde aan dat verdachte slechts was gebruikt om de boot te huren en niet wist van de Albanezen aan boord. De rechtbank stelde vast dat verdachte inderdaad de boot had gehuurd en op cruciale momenten aanwezig was, maar dat er geen bewijs was dat hij wist van de Albanezen of betrokken was bij de smokkel. De medeverdachte was schipper en de Albanezen verbleven onrechtmatig aan boord.
Gezien het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs dat verdachte op de hoogte was van de mensensmokkel of daaraan deelnam, sprak de rechtbank verdachte vrij van het primair en subsidiair ten laste gelegde. De rechtbank kon niet uitsluiten dat een derde partij de schakel was tussen de huur en de Albanezen.
De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer bestaande uit drie rechters, waarbij één rechter niet kon medeondertekenen.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van betrokkenheid bij mensensmokkel.