ECLI:NL:RBZWB:2023:6778

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 oktober 2023
Publicatiedatum
2 oktober 2023
Zaaknummer
21/4652, 21/4653 en 21/4654
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:15 AwbArt. 3:41 lid 1 AwbArtikel 11 Invorderingswet 1990Artikel 7 lid 2 Kostenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging vervolgingskosten naheffingsaanslagen omzetbelasting wegens onvoldoende bewijs verzending aanmaning en dwangbevel

Belanghebbende maakte bezwaar tegen vervolgingskosten die de ontvanger van de belastingdienst in rekening bracht voor aanmaningen en dwangbevelen bij naheffingsaanslagen omzetbelasting over drie kwartalen van 2018. De ontvanger verklaarde de bezwaren niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de termijn. De rechtbank oordeelt dat het beroepschrift ontvankelijk is omdat het tijdig bij de belastingdienst is ingediend, ook al was dat bij een onbevoegd orgaan.

Belanghebbende stelde dat hij de aanmaningen en dwangbevelen niet had ontvangen vanwege detentie, waarmee hij de verzending betwistte. De ontvanger moest aannemelijk maken dat de stukken per post waren aangeboden aan een postvervoerbedrijf, maar slaagde hier niet in. Verzoek tot inbreng van bewijsstukken werd door de rechtbank als te laat afgewezen.

De rechtbank concludeert dat de ontvanger niet heeft bewezen dat de aanmaningen en dwangbevelen zijn verzonden, waardoor de bezwaartermijn niet is gestart en de bezwaren ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard. De vervolgingskosten worden vernietigd. Belanghebbende krijgt proceskostenvergoeding toegekend vanwege betalingsonmacht en het gegrond verklaren van de beroepen.

Uitkomst: De vervolgingskosten worden vernietigd en de ontvanger wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan belanghebbende.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 21/4652, 21/4653 en 21/4654

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 oktober 2023 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr. M.C.J. Schoenmakers),
en

de ontvanger van de belastingdienst, de ontvanger.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen drie uitspraken op bezwaar van de ontvanger van 31 augustus 2021.
1.1.
De ontvanger heeft aan belanghebbende (vervolgings)kosten in rekening gebracht ten aanzien van de aanmaning en het dwangbevel op de naheffingsaanslagen omzetbelasting over het eerste, tweede en derde kwartaal van 2018 (aanslagnummers [aanslagnummer 1] , [aanslagnummer 2] en [aanslagnummer 3] ).
1.2.
De ontvanger heeft de bezwaren van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de bezwaartermijn.
1.3.
Belanghebbende heeft bij brief van 8 september 2021 gericht aan de belastingdienst Heerlen bezwaar gemaakt tegen deze drie uitspraken op bezwaar van de ontvanger. De belastingdienst heeft de brief op 10 september 2021 ontvangen, aangemerkt als een beroepschrift en op 29 oktober 2021 doorgezonden aan de rechtbank. De rechtbank heeft het beroepschrift op 2 november 2021 ontvangen.
Zitting
2. De rechtbank heeft de beroepen op 30 augustus 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en namens de ontvanger, [naam 1] , en ter bijstand van de ontvanger, [naam 2] , [naam 3] , en [naam 4] .
De zaaknummers 21/4850 en 21/4851, 22/3513 tot en met 22/3516 en 21/4652 tot en met 21/4654 zijn gelijktijdig behandeld.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt de beroepen van belanghebbende tegen de drie uitspraken van de ontvanger van 31 augustus 2021 op de bezwaren van belanghebbende tegen aan hem in rekening gebrachte vervolgingskosten.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat de ontvanger geen vervolgingskosten in rekening had mogen brengen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Vooraf
3.2.
De wet biedt rechtsbescherming voor de rechtszoekende die zijn beroepschrift indient bij een onbevoegd orgaan door de verplichting tot doorzending op het onbevoegde orgaan te leggen, terwijl de datum van ontvangst bij de onbevoegde instantie in beginsel geldt als datum van ontvangst bij de wel bevoegde instantie. [1] Op deze wijze wordt geborgd dat bij indiening van een beroepschrift bij een onbevoegd orgaan, een rechtszoekende niet kan worden tegengeworpen dat hij te laat is wanneer zijn beroepschrift door het wel bevoegde orgaan wordt ontvangen. De inspecteur heeft het beroepschrift van belanghebbende terecht doorgezonden. Gelet op de ontvangstdatum bij de belastingdienst, is de rechtbank van oordeel dat aan de wettelijke vereisten voor een ontvankelijk beroepschrift is voldaan.
Inhoudelijk
3.3.
De vervolgingskosten zijn op 21 juni 2018, 13 juli 2018, 20 september 2018, 12 oktober 2018, 20 december 2018 en 11 januari 2019 in rekening gebracht. Belanghebbende heeft op 27 juli 2021 bezwaar gemaakt tegen deze vervolgingskosten.
3.4.
Belanghebbende heeft gesteld dat hij de aanmaningen en dwangbevelen niet heeft ontvangen omdat hij in detentie zit.
3.5.
Indien belanghebbende, zoals in dit geval, stelt dat een aanmaning tot betaling van een belastingaanslag hem niet heeft bereikt en ook de dwangbevelen niet, ligt in die stelling een betwisting van de verzending van die stukken begrepen. In dat geval moet de ontvanger die verzending aannemelijk maken. In een geval als het onderhavige, waarin de ontvanger stelt dat hij deze stukken heeft bekendgemaakt door verzending per post, houdt die bewijslast in dat hij aannemelijk moet maken dat het desbetreffende poststuk is aangeboden aan een postvervoerbedrijf. Die bewijslast houdt mede in dat de ontvanger aannemelijk moet maken aan welk postvervoerbedrijf het desbetreffende poststuk is aangeboden. [2]
3.6.
De rechtbank is van oordeel dat de ontvanger niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aanmaningen en de dwangbevelen aan een postvervoerbedrijf zijn aangeboden voor verzending aan belanghebbende, bijvoorbeeld door het overleggen van een verzendrapport. De ontvanger heeft ter zitting verzocht om de door hem meegebrachte stukken welke kennelijk hierop zouden zien in te kunnen brengen. Dat verzoek acht de rechtbank tardief gelet op het volgende. Belanghebbende heeft gedurende (zeer) geruime tijd – in ieder geval sinds het beroepschrift - aan de ontvanger aangegeven dat hij de post van de belastingdienst niet heeft ontvangen. Daarin heeft de ontvanger tot aan de zitting geen reden gezien om nadere stukken in te brengen. Ook heeft de ontvanger geen redenen aangevoerd waarom deze stukken niet eerder konden worden verstrekt. Gelet op deze feiten en omstandigheden is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat de stukken niet worden toegelaten tot het geding.
3.7.
De rechtbank is van oordeel dat de ontvanger niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aanmaningen en dwangbevelen zijn verzonden. De termijn voor het maken van bezwaar is dan niet aangevangen op het door de ontvanger gestelde moment. De bezwaren zijn daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. De beroepen worden gegrond verklaard en de bestreden uitspraken op bezwaar worden vernietigd.
3.8.
Wat betreft de bestreden kosten kan de rechtbank de zaak zelf afdoen omdat geen (relevante) feiten in geschil zijn. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, brengt dit mee dat ervan moet worden uitgegaan dat de aanmaningen niet op de voorgeschreven wijze [3] aan belanghebbende bekend zijn gemaakt. Dit heeft, gelet op de hoofdregel van artikel 11 e.v. van de Invorderingswet 1990, tot gevolg dat de ontvanger nog geen dwangbevelen mocht uitvaardigen en dus ook geen vervolgingskosten in rekening kon brengen. Artikel 7, lid 2, van de Kostenwet staat hieraan niet in de weg aangezien die bepaling geen betrekking heeft op een verweer voor zover dat inhoudt dat de aanmaning niet is verzonden. Dit betekent dat de vervolgingskosten worden vernietigen.
Griffierecht
4. Belanghebbende heeft ter zake van het te betalen griffierecht een beroep op betalingsonmacht gedaan, omdat hij onvoldoende inkomen en geen vermogen heeft. Dat beroep is door de griffier voorlopig toegewezen voorafgaand aan de zitting. De rechtbank wijst het verzoek toe.

Conclusie en gevolgen

4.1.
De beroepen betreffende de vervolgingskosten zijn gegrond, de uitspraken op bezwaar en de vervolgingskosten worden vernietigd.
4.2.
Omdat belanghebbende geen griffierecht heeft betaald, hoeft de ontvanger geen griffierecht aan hem te vergoeden. Omdat de beroepen gegrond zijn, krijgt belanghebbende een vergoeding van zijn proceskosten. De ontvanger moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 837. De gemachtigde heeft de zitting bijgewoond. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 837.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen betreffende de vervolgingskosten ten aanzien van de naheffingsaanslagen omzetbelasting over het eerste, tweede en derde kwartaal van 2018 (aanslagnummers [aanslagnummer 1] , [aanslagnummer 2] en [aanslagnummer 3] ) gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar betreffende de vervolgingskosten ten aanzien van de naheffingsaanslagen omzetbelasting over het eerste, tweede en derde kwartaal van 2018 (aanslagnummers [aanslagnummer 1] , [aanslagnummer 2] en [aanslagnummer 3] );
- vernietigt de vervolgingskosten ten aanzien van de naheffingsaanslagen omzetbelasting over het eerste, tweede en derde kwartaal van 2018 (aanslagnummers [aanslagnummer 1] , [aanslagnummer 2] en [aanslagnummer 3] );
- veroordeelt de ontvanger tot betaling van € 837 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan op 2 oktober 2023 door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 6: 15 Awb.
2.Hoge Raad 26 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:785
3.Artikel 3:41, lid 1, van de Awb.