ECLI:NL:RBZWB:2023:6874

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 september 2023
Publicatiedatum
5 oktober 2023
Zaaknummer
BRE-23_601
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:119 BWAlgemene wet bestuursrechtWetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen kennisgeving kostenvergoeding en wettelijke rente

Belanghebbende B.V. heeft bezwaar gemaakt tegen de kennisgeving kostenvergoeding van de inspecteur van de Belastingdienst, waarin wettelijke rente is toegekend wegens te late betaling van een eerder toegekende kostenvergoeding.

De rechtbank oordeelt dat de kennisgeving van de kostenvergoeding en de daarbij toegekende wettelijke rente geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en evenmin een beschikking die vatbaar is voor bezwaar en beroep op grond van de belastingwetgeving. Dit volgt uit het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in het belastingrecht en het feit dat de wettelijke rente is gebaseerd op artikel 6:119 BW Pro, niet op belastingwetgeving.

Daarom is het bezwaar van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk verklaard. Ook is er geen verplichting tot het houden van een hoorgesprek, noch op grond van nationale wetgeving noch op basis van Unierecht. Het beroep is daarmee kennelijk ongegrond en de rechtbank doet uitspraak zonder zitting.

De inspecteur had verzocht om proceskostenvergoeding wegens procederen tegen beter weten in, inclusief reiskosten voor een zitting. Dit verzoek wordt afgewezen omdat de uitspraak zonder zitting is gedaan en er geen aanleiding is voor een proceskostenveroordeling.

Belanghebbende wordt geadviseerd het geschil voor te leggen aan de burgerlijke rechter volgens het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de kennisgeving kostenvergoeding en wettelijke rente is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/601

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 september 2023 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende

( [gemachtigde] ),
en

de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 22 december 2022, betreffende de kennisgeving kostenvergoeding van 19 juli 2022, naar aanleiding van de uitspraak van deze rechtbank van 2 juni 2022.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De inspecteur heeft in de kennisgeving kostenvergoeding wettelijke rente toegekend omdat de bedragen die hij ingevolge de uitspraak van de rechtbank aan belanghebbende moest vergoeden, te laat heeft betaald.
3. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de in de kennisgeving toegekende wettelijke rente. De inspecteur heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
4. In het belastingrecht geldt een gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Dat betekent dat alleen bezwaar kan worden gemaakt en beroep kan worden ingesteld tegen beslissingen die in de belastingwetgeving zijn aangemerkt als voor bezwaar vatbaar. Het vergoeden van wettelijke rente omdat niet tijdig is voldaan aan een betalingsverplichting, vindt zijn grondslag in artikel 6:119 BW Pro en is dus niet gebaseerd op de belastingwetgeving. Evenmin is sprake van een besluit in de zin van de Awb. De kennisgeving is dan ook geen voor bezwaar en beroep vatbare beschikking.
5. De inspecteur heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Gelet op dat wat in onderdeel 4 is overwogen, was het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk. Om die reden was er – los van de feitelijke gang van zaken in deze zaak – geen plicht om op grond van de nationale wet een hoorgesprek te houden. Die verplichting is er ook niet op basis van het Unierecht. De klacht van belanghebbende over het hoorrecht slaagt dus niet. Het beroep is kennelijk ongegrond.
6. Belanghebbende kan het geschil met de inspecteur voorleggen aan de burgerlijke rechter op de in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalde wijze.
7. De inspecteur heeft verzocht belanghebbende te veroordelen in de proceskosten van de inspecteur vanwege procederen tegen beter weten in. De inspecteur heeft daarbij verzocht om een vergoeding van de reiskosten mocht deze zaak ter zitting komen.
8. Nu het beroep kennelijk ongegrond is en uitspraak wordt gedaan zonder zitting wordt het verzoek van de inspecteur afgewezen. Of sprake is van ‘procederen tegen beter weten in’ behoeft daarmee geen verdere behandeling.
9. Voor een proceskostenveroordeling van de inspecteur bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van P. van der Hoeven, griffier, op 29 september 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.