ECLI:NL:RBZWB:2023:6883

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 september 2023
Publicatiedatum
5 oktober 2023
Zaaknummer
BRE-23_599
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaar niet-ontvankelijk tegen kennisgeving teruggaaf BPM zonder rentebeschikking

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een kennisgeving teruggaaf BPM van de inspecteur, specifiek tegen een vermeende rentebeschikking in die kennisgeving. De rechtbank oordeelt dat tegen een kennisgeving teruggaaf BPM geen bezwaar mogelijk is, omdat deze niet als een besluit in de zin van de belastingwetgeving geldt. Bovendien bevatte de kennisgeving geen rentebeschikking, waardoor het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.

De rechtbank benadrukt dat het belastingrecht een gesloten stelsel van rechtsmiddelen kent, waardoor alleen tegen bepaalde beslissingen bezwaar en beroep mogelijk is. Belanghebbendes beroep is daarom kennelijk ongegrond en de rechtbank doet uitspraak zonder zitting. Tevens wijst de rechtbank het verzoek van de inspecteur af om proceskosten toe te wijzen, omdat er geen zitting heeft plaatsgevonden en geen sprake is van procederen tegen beter weten in.

Belanghebbende wordt erop gewezen dat het geschil voorgelegd kan worden aan de burgerlijke rechter volgens de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De uitspraak is gedaan door rechter S.A.J. Bastiaansen en griffier P. van der Hoeven op 29 september 2023.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de kennisgeving teruggaaf BPM is niet-ontvankelijk verklaard omdat geen rentebeschikking is opgenomen en bezwaar niet mogelijk is.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/599

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 september 2023 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende

([gemachtigde]),
en

de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 22 december 2022, betreffende de kennisgeving teruggaaf BPM van 15 juni 2022, naar aanleiding van een uitspraak van deze rechtbank van 2 juni 2022.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De inspecteur heeft een kennisgeving teruggaaf BPM toegezonden aan belanghebbende naar aanleiding van een uitspraak op bezwaar. De kennisging is een mededeling van de financiële uitkomst van de uitspraak van de rechtbank.
3. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de kennisgeving. De inspecteur heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
4. In beroep voert belanghebbende aan tegen de rentebeschikking in de kennisgeving op te komen.
5. In het belastingrecht geldt een gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Dat betekent dat alleen bezwaar kan worden gemaakt en beroep kan worden ingesteld tegen beslissingen die in de belastingwetgeving zijn aangemerkt als voor bezwaar vatbaar. De kennisgeving teruggaaf BPM naar aanleiding van de uitspraak van deze rechtbank is niet als zodanig aan te merken. Een rentebeschikking is niet opgenomen in de betreffende brief.
6. De inspecteur heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Gelet op dat wat in onderdeel 5 is overwogen, was het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk. Om die reden was er – los van de feitelijke gang van zaken in deze zaak – geen plicht om op grond van de nationale wet een hoorgesprek te houden. Die verplichting is er ook niet op basis van het Unierecht. De klacht van belanghebbende over het hoorrecht slaagt dus niet. Het beroep is kennelijk ongegrond.
7. Belanghebbende kan het geschil met de inspecteur voorleggen aan de burgerlijke rechter op de in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalde wijze.
8. De inspecteur heeft verzocht belanghebbende te veroordelen in de proceskosten van de inspecteur vanwege procederen tegen beter weten in. De inspecteur heeft daarbij verzocht om een vergoeding van de reiskosten mocht deze zaak ter zitting komen.
9. Nu het beroep kennelijk ongegrond is en uitspraak wordt gedaan zonder zitting wordt het verzoek van de inspecteur afgewezen. Of sprake is van ‘procederen tegen beter weten in’ behoeft daarmee geen verdere behandeling.
10. Voor een proceskostenveroordeling van de inspecteur bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van P. van der Hoeven, griffier, op 29 september 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.