ECLI:NL:RBZWB:2023:7062

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 september 2023
Publicatiedatum
10 oktober 2023
Zaaknummer
C/02/409657 FA RK 23-2317
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Combee
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanhouding omgangsregeling en begeleiding herstart contact minderjarige met vader

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde het verzoek van de vader om een concrete omgangsregeling met zijn minderjarige kind vast te leggen. De omgang was sinds december 2022 abrupt beëindigd door de moeder, die dit baseerde op zorgen over het welzijn van het kind, waaronder nachtmerries en gedragsveranderingen. De Raad voor de Kinderbescherming en jeugdzorginstantie [jeugdzorg01] waren betrokken bij begeleide omgangstrajecten die uiteindelijk werden stopgezet vanwege gebrek aan vooruitgang en communicatieproblemen tussen ouders.

De vader stelde dat er geen reden was voor de stopzetting en dat het contact tussen hem en het kind noodzakelijk is voor diens ontwikkeling. De moeder benadrukte het belang van een stapsgewijze opbouw van de omgang met begeleiding en in haar aanwezigheid om het kind veiligheid te bieden. De Raad adviseerde de omgang voorlopig niet te hervatten en stelde voor de begeleiding onder verantwoordelijkheid van een derde persoon voort te zetten.

Na overleg stemden partijen in met dit voorstel en verzochten de rechtbank de zaak pro forma aan te houden. De rechtbank besloot de behandeling aan te houden voor een maand, in afwachting van schriftelijke voortgangsrapportages over het begeleidingsproces en de stand van zaken, waarna verdere beslissingen zullen volgen.

Uitkomst: De rechtbank houdt de behandeling van het verzoek aan in afwachting van voortgangsrapportages over het begeleidingsproces.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/409657 FA RK 23-2317
datum uitspraak: 2 oktober 2023
beschikking
in de zaak van
[de man01] ,
wonende te [woonplaats01] ,
verzoeker, hierna ook te noemen de man,
advocaat mr. S. Bhulai,
tegen
[de vrouw01] ,
wonende te [woonplaats02] ,
verweerster, hierna ook te noemen de vrouw,
advocaat: mr. Mr. R.H.I. Degens,
betreffende de minderjarige
[minderjarige01] ,
geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01] 2019.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
-
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 september 2023. Daarbij waren aanwezig:
  • de man en zijn advocaat;
  • de vrouw en haar advocaat;
  • een vertegenwoordigster van de Raad.

1.Het procesverloop

De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 11 mei 2023 ontvangen verzoekschrift, met bijlagen;
- het op 11 juni 2023 door de advocaat van de vrouw ingediend F-formulier.

2.De feiten

Bij beschikking van 7 oktober 2022 heeft de rechtbank de voorlopige omgangsregeling zoals bepaald bij beschikking van 18 november 2021 gewijzigd en bepaald dat de man en de [minderjarige01]
voorlopig- tot partijen anders zijn overeengekomen of in rechte anders is beslist - gerechtigd zijn tot omgang met elkaar middels een opbouwende regeling, te weten respectievelijk:
- driemaal begeleide omgang op huidige locatie buiten aanwezigheid van de vrouw voor maximaal 2,5 uur, waarbij de vrouw de eerste keer gedurende de omgang de ruimte verlaat en bij de 2 volgende omgangen niet in dezelfde ruimte aanwezig is;
- driemaal begeleide omgang op de huidige locatie waarbij de man met [minderjarige01] en met begeleiding naar buiten kan, buiten aanwezigheid van de vrouw, voor maximaal 3 uur;
- driemaal begeleide omgang in de woning van de man, voor maximaal 3 uur per keer, buiten de aanwezigheid van de vrouw;
- driemaal begeleide omgang in woning van de man, voor maximaal 3 uur, waarbij het eerste en het laatste uur begeleid zijn, buiten de aanwezigheid van de vrouw;
- driemaal begeleide omgang bij de man thuis, voor maximaal 3 uur, waarbij een uur begeleid, buiten de aanwezigheid van de vrouw;
- driemaal onbegeleide omgang bij de man thuis, voor maximaal 3 uur, met nabespreking met ouders door [jeugdzorg01] ;
- driemaal onbegeleide omgang bij de man thuis, voor maximaal 5 uur, met nabespreking met ouders door [jeugdzorg01] .
Na deze opbouw kan worden gestart met onbegeleide omgang bij de man thuis om de week op zaterdag van 10:00 uur tot 18:00 uur. De beslissing over een definitieve omgangsregeling is aangehouden, in afwachting van het nog te starten hulpverleningstraject ter verbetering van de oudercommunicatie en de resultaten van dit traject.

3.Het verzoek

Het verzoek van de man strekt ertoe, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - bij wijze van provisionele voorziening - een tijdelijke concrete omgangsregeling vast te leggen, inhoudende dat de [minderjarige01] bij de man zal zijn, om de week van zaterdag 11.00 uur tot 16:00 uur op straffe van een door de vrouw te verbeuren dwangsom van € 250,00 voor elke keer en elke dag zij de regeling niet nakomt, tot een maximum van € 50.000, waarbij de vrouw [minderjarige01] naar de man brengt en de man [minderjarige01] terug brengt naar de vrouw.

4.De standpunten van de ouders

Namens de man is ter onderbouwing van het verzoek schriftelijk en mondeling aanvullend
- samengevat - aangevoerd dat de vrouw geen uitvoering geeft aan de bij beschikking van
7 oktober 2022 vastgestelde voorlopige regeling. De vrouw wil alleen meewerken indien sprake is van begeleide omgang.
De man stelt zich op het standpunt dat er voor deze abrupte beëindiging van het contact door de vrouw geen enkele aanleiding was. Er heeft al gedurende een periode van twee jaren begeleide omgang plaats gevonden, daaruit is niet gebleken van aanwijzingen dat uitbreiding van de omgang in strijd zou zijn met de zwaarwegende belangen van [minderjarige01] . Feitelijk heeft er tussen [minderjarige01] en de man sinds 12 december 2022 geen contact meer plaats gevonden. Uit de verslaglegging van [jeugdzorg01] blijkt dat in de periode die daaraan direct voorafging er driemaal contactafspraken niet zijn doorgegaan. [jeugdzorg01] heeft aangegeven op grond van deze omstandigheden, daarbij verwijzend naar alle hulpverlening die gedurende een periode van twee jaar is ingezet, geen mogelijkheden meer te zien om het begeleidingstraject voort te zetten.
Het ontbreken van enige vooruitgang, de beperkte communicatiemogelijkheden tussen hem en de vrouw en de bepalende rol van de vrouw in het geheel zorgden ervoor dat de man de communicatie over [minderjarige01] heeft beperkt tot de hoogst noodzakelijke onderwerpen. Verder heeft de man van zijn betrokkenheid doen blijken, onder meer door het sturen van een kaartje met [minderjarige01] verjaardag. Bij de man leeft thans de wens om structureel contact met [minderjarige01] te kunnen hebben, leuke dingen met hem te ondernemen en niet alleen contact met hem te onderhouden onder toezicht/begeleiding. Doordat er langere tijd geen contact tussen hem en [minderjarige01] heeft plaats gevonden dreigen zij van elkaar te vervreemden. Dit maakt dat [minderjarige01] in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De man heeft daarom een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening, temeer nu aan zijn verzoek om met spoed een mondelinge behandeling te bepalen niet is voldaan.
Door en namens de vrouw is - samengevat - naar voren gebracht dat [minderjarige01] na de laatste contactmomenten liet zien dat hij niet zichzelf was. Daarbij kwam dat hij last had van nachtmerries. Het leek de vrouw daarom verstandig om tijdelijk een rustperiode in te lassen. De vrouw heeft vervolgens haar zorgen besproken met [jeugdzorg01] . Daarop is door [jeugdzorg01] contact gezocht met het CJG bedoeld om het traject verder op te pakken, zij het met de toelichting dat het verstandig werd bevonden om tijdelijk geen uitvoering aan de omgangsregeling te geven. De vrouw begrijpt dat de man desondanks bij zijn stelling blijft dat zij degene is die de omgang eigener beweging heeft stopgezet. Zij betwist dit, het is een beslissing van [jeugdzorg01] geweest. In dat verband wenst de vrouw te benadrukken dat het hulpverleningstraject via [jeugdzorg01] is geëindigd op het moment dat er nog vier begeleide omgangsmomenten gepland stonden. Het lukte echter niet overeenstemming te bereiken over een haal- en brengregeling, waarop [jeugdzorg01] het traject heeft afgewezen/geweigerd. Er zou vervolgens voor [jeugdzorg01] een andere hulpverlenende instantie in de plaats komen, hetgeen niet is gebeurd. In relatie tot al het voorgaande mag evenmin onvermeld blijven dat in de afzonderlijke bodemprocedure tussen de ouders het traject in het kader van het Uniform Hulpaanbod zonder resultaat is gebleven en dat de Raad voor de Kinderbescherming thans onderzoek in de zaak verricht.
De vrouw stelt zich onverminderd open voor omgang tussen [minderjarige01] en de man. Echter is daarover al eerder met [jeugdzorg01] besproken dat de omgang stapsgewijs weer dient te worden opgebouwd en met daarbij de voor [minderjarige01] vertrouwde begeleiding alsook in haar aanwezigheid, dit opdat hij zich voldoende op zijn gemak gesteld voelt en hij zich veilig voelt tijdens de omgangsmomenten en op die wijze paniek- of angstaanvallen bij hem worden voorkomen. Hoewel [jeugdzorg01] als hulpverlenende instantie niet langer betrokken is, ligt het in de rede dat na verloop van een zekere opbouwfase de zorg/contactregeling wordt hervat, zoals eerder in overleg met [jeugdzorg01] is bepaald. Ten aanzien van het door de vrouw nagestreefde traject wordt ten slotte verwezen de beslissing van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht van 8 september 2023 met het kenmerk C/03/32022. Er was in die zaak sprake van een vergelijkbare situatie, waarin de omgangsregeling door de betrokken hulpverlenende instanties tijdelijk is stilgelegd, waarbij - ter overbrugging van de tussenliggende periode - is bepaald dat de betreffende ouder stapsgewijs door middel van het sturen van kaartjes/cadeautjes en daaropvolgend beeldbelmomenten geleidelijk weer voor de minderjarige in beeld zou geraken.

5.Het standpunt van de Raad

Namens de Raad is naar voren gebracht dat door [jeugdzorg01] met de ouders is besproken onder welke condities het begeleide omgangstraject diende te worden uitgevoerd, waarbij is benadrukt dat daarvan niet zou worden afgeweken. Uit het verloop van een drietal omgangen die zijn uitgevoerd is in de visie van [jeugdzorg01] niet gebleken van contra indicaties. Door de vrouw is vervolgens een extra voorwaarde gesteld, luidende dat stapsgewijze hervatting van de omgang ook in haar aanwezigheid dient plaats te vinden, welke voorwaarde niet door alle betrokkenen werd en wordt ondersteund. Er wordt intussen een zich herhalend patroon gezien, waarbij door het tussentijds stopzetten van de omgangen er ‘gaten’ ontstaan. Het behoeft nauwelijks toelichting dat dit impact heeft op een kind in de leeftijd en met een achtergrond als die van [minderjarige01] . De ouders staan hoe dan ook voor het voldongen feit dat [jeugdzorg01] het traject heeft afgesloten. Het raadsonderzoek bevindt zich inmiddels in de eindfase, wel moet het daaruit volgend advies nog met de ouders worden besproken. Zonder al te zeer op de uitkomst daarvan vooruit te willen lopen dient in elk geval te worden vermeld dat bedoeld onderzoek zich mede heeft gericht op de mogelijke noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel in de vorm van een ondertoezichtstelling. Alle relevante omstandigheden bij elkaar maken het in de visie van de Raad lastig om in dit stadium de omgang opnieuw op te starten. Daarvan uitgaande stelt de Raad voor dit in handen te geven van mevrouw [naam01] , opdat onder haar begeleiding in samenspraak met de ouders bezien zal kunnen worden op welke wijze en met welke frequentie de omgang tussen [minderjarige01] en de man wederom kan worden opgestart. In het geval dat de ouders zich in dit voorstel kunnen vinden verzoekt de Raad de beslissing op het onderhavige verzoek van de man pro forma aan te houden, in afwachting van het verloop van bedoeld traject en van de uitkomst van het raadsonderzoek.

6.De nadere standpunten van de ouders

Na een korte schorsing van de mondelinge behandeling zijn de ouders overeengekomen dat - in de lijn van het voorstel van de Raad - met mevrouw [naam01] contact zal worden gezocht om vervolgens onder haar begeleiding de mogelijkheden om tussen [minderjarige01] en de vader de omgang weer op te starten te onderzoeken. De advocaten van partijen hebben aangegeven in te stemmen met een pro forma aanhouding van deze zaak voor korte duur, in afwachting van het verloop van bedoeld traject en van de uitkomst van het raadsonderzoek.

7.De beoordeling

Met inachtneming van het vorenstaande zal de rechtbank de behandeling van de zaak pro forma aanhouden voor een periode van één maand, in afwachting van schriftelijk bericht van de advocaat van de man - tevens in afschrift aan de advocaat van de vrouw en aan de Raad - over het verloop van de begeleiding door mevrouw [naam01] en de stand van zaken op dat moment, waarbij tevens dient te worden aangegeven of het onderhavige verzoek wordt gehandhaafd. De advocaat van de vrouw wordt verzocht
binnen één week na ontvangst van bedoelde berichtgevingdaarop schriftelijk - tevens in afschrift aan de advocaat van de man en aan de Raad - te reageren.
De tussenbeslissing in deze zaak komt derhalve als volgt te luiden.

8.De beslissing

De rechtbank
houdt de behandeling van deze zaak aan tot
dinsdag 17 oktober 2023 Pro Forma, zulks in afwachting van schriftelijke berichtgeving van de advocaten van partijen, als hiervóór in de beoordeling weergegeven;
behoudt zich iedere beslissing in deze zaak voor.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2023 door mr. Combee, kinderrechter, in aanwezigheid van Baremans als griffier, en op schrift gesteld op 2 oktober 2023.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden op:

Voetnoten

1.In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.