ECLI:NL:RBZWB:2023:7109

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 oktober 2023
Publicatiedatum
12 oktober 2023
Zaaknummer
AWB- 23_9359 VV en AWB- 23_9363
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 BbzArt. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:86 AwbArt. 4:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bijstand zelfstandigen op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Geertruidenberg tot afwijzing van zijn aanvraag om bijstand voor zelfstandigen op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz).

De voorzieningenrechter heeft het spoedeisend belang van verzoeker aangenomen en heeft vervolgens ook direct in de hoofdzaak uitspraak gedaan. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verzoeker voldoet aan de voorwaarden van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bbz, en of het college zich te formalistisch heeft opgesteld bij de afwijzing van de aanvraag.

De rechtbank oordeelt dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarde dat hij een uitkering uit hoofde van werkloosheid moet ontvangen voordat hij als zelfstandige start. De omstandigheden waaronder verzoeker zijn dienstverband heeft beëindigd zijn niet relevant voor deze beoordeling. Het college heeft terecht vastgehouden aan de wettelijke criteria en heeft het beroep ongegrond verklaard.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter I.M. Josten op 12 oktober 2023.

Uitkomst: Het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening worden afgewezen omdat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden van het Bbz.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 23/9359 PW VV en BRE 23/9363 PW

uitspraak van 12 oktober 2023 van de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[naam verzoeker] (verzoeker), te [woonplaats verzoeker],

gemachtigde: mr. M.B. Ullah,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Geertruidenberg(het college), verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 3 augustus 2023 (bestreden besluit) over de afwijzing van zijn aanvraag om bijstand voor zelfstandigen op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz). Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen met betrekking tot dit besluit.
Het verzoek is behandeld op een zitting van 4 oktober 2023. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college werd vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger].

OverwegingenRelevante feiten en omstandigheden

1. Verzoeker en [naam betrokkene] ontvingen van 18 januari 2018 tot en met 30 september 2021 een bijstandsuitkering voor levensonderhoud. Het college heeft deze uitkering ingetrokken per 1 oktober 2021, omdat verzoeker is gaan werken bij [naam werkgever] Verzoeker heeft per 15 juni 2022 ontslag genomen. Op 20 juni 2022 heeft hij een eenmanszaak gestart met de naam "[naam eenmanszaak]".
Verzoeker heeft op 14 juli 2022 bijstand voor zelfstandigen aangevraagd op grond van het Bbz. Het college heeft deze aanvraag in een besluit van 16 augustus 2022 afgewezen, omdat verzoeker niet tot de doelgroep van het Bbz behoorde. Het college heeft verzoekers bezwaren tegen het besluit van 16 augustus 2022 in een besluit van 3 maart 2023 niet-ontvankelijk verklaard. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft verzoekers beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard in een uitspraak van 22 juni 2023. Ook is daarin een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.
Verzoeker heeft begin februari 2023 opnieuw een aanvraag ingediend voor bijstand op grond van het Bbz, waarin hij per 1 januari 2023 verzoekt om bijstand. Het college heeft deze aanvraag in een besluit van 16 februari 2023 (primair besluit) afgewezen met toepassing van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Het college heeft verzoekers bezwaren tegen het primaire besluit in het bestreden besluit ongegrond verklaard, onder wijziging van de grondslag van de afwijzing van verzoekers aanvraag. Volgens het college had verzoekers aanvraag van 2 februari 2023 niet mogen worden afgedaan met toepassing van artikel 4:6 van Pro de Awb.
Standpunt van het college
2. Volgens het college is verzoeker geen persoon als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bbz. De documenten die verzoeker aan zijn aanvraag heeft gehecht kunnen niet leiden tot een ander besluit, aldus het college.
Verzoekers standpunt
3. Volgens verzoeker heeft het college onvoldoende rekening gehouden met de omstandigheden waaronder hij zijn dienstverband bij [naam werkgever] heeft beëindigd. Hij stelt dat het college zich te formalistisch heeft opgesteld door onverkort vast te houden aan de criteria in artikel 2 van Pro het Bbz. Op wat verzoeker aanvoert wordt – voor zover relevant – in het hiernavolgende ingegaan.
Toetsingskader voorzieningenrechter
4. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Beoordeling van het spoedeisend belang
5. De voorzieningenrechter heeft twijfels bij het spoedeisend belang. Er is sprake van substantiële stortingen op verzoekers bankrekening en hij heeft ter zitting desgevraagd erkend dat hij geen betaalachterstanden heeft. Verzoeker heeft hier ter zitting onder meer tegenover gesteld dat genoemde stortingen verband houden met leningen van vrienden, en dat hij aanzienlijke vaste lasten heeft. De voorzieningenrechter zal verzoeker het voordeel van de twijfel geven en aannemen dat sprake is van voldoende spoedeisend belang.
Kortsluiting
6. Op grond van artikel 8:86 van Pro de Awb is de voorzieningenrechter bevoegd onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien het verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van Pro de Awb wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is sprake van een dergelijke situatie. De voorzieningenrechter zal daarom gebruikmaken van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 8:86 van Pro de Awb en ook onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.
Relevante regelgeving
7. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bbz kan algemene bijstand worden verleend aan de persoon of de echtgenoot van de persoon die uit hoofde van werkloosheid een uitkering ontvangt en die een bedrijf of zelfstandig beroep begint dat levensvatbaar is.
Waar gaat het in deze zaak over?
8. De bestreden besluitvorming heeft betrekking op een aanvraagsituatie. Het ligt daarom op verzoekers weg om aannemelijk te maken dat hij als zelfstandige recht had op bijstand op grond van het Bbz. Verzoeker betwist niet dat hij niet voldoet aan de voorwaarden in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bbz. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het college voldoende rekening heeft gehouden met de omstandigheden waaronder verzoekers dienstverband bij [naam werkgever] is beëindigd, en of het college zich bij de afwijzing van zijn aanvraag te formalistisch heeft opgesteld.
De omstandigheden rondom verzoekers ontslag
9. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter mocht het college de afwijzing van verzoekers aanvraag baseren op de omstandigheid dat hij geen uitkering uit hoofde van werkloosheid ontving voordat hij als zelfstandige is gestart, nu deze omstandigheid niet wordt betwist door verzoeker. Hiermee staat vast dat hij niet voldoet aan de voorwaarden in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bbz. Anders dan verzoeker kennelijk meent, is de toedracht van zijn ontslag niet relevant voor de vraag of hij voldoet aan genoemde voorwaarden. De voorzieningenrechter gaat daarom voorbij aan wat verzoeker hierover aanvoert.
Is sprake van een te formalistische houding bij het college?
10. De voorzieningenrechter volgt verzoeker ook niet in zijn enkele stelling dat het college zich te formalistisch heeft opgesteld door vast te houden aan de voorwaarden in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bbz. Het Bbz is een algemeen verbindend voorschrift. Als een besluit is gebaseerd op een dergelijk voorschrift, kan door de bestuursrechter in een zaak over dat besluit worden getoetst op rechtmatigheid. In het bijzonder gaat het daarbij om de vraag of het voorschrift niet in strijd is met hogere regelgeving. De bestuursrechter mag ook nagaan of het betreffende algemeen verbindend voorschrift een voldoende deugdelijke grondslag biedt voor het besluit waarover hij een oordeel moet geven (indirecte toetsing van het algemeen verbindend voorschrift). Hierbij vormen de algemene rechtsbeginselen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur een belangrijke richtsnoer, en de toetsing wordt verricht op de manier zoals de CRvB uiteen heeft gezet in zijn uitspraak van 1 juli 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:2016). In die uitspraak is onder meer overwogen dat als de bestuursrechter door een gebrekkige motivering of onzorgvuldige voorbereiding van het voorschrift niet kan beoordelen of er strijd is met hogere regelgeving, de algemene rechtsbeginselen of het evenredigheidsbeginsel, hij het voorschrift wel buiten toepassing kan laten en het besluit dat daarop gebaseerd is vernietigen.
11. Weliswaar kan strikte toepassing van artikel 2, eerste lid, van het Bbz in sommige gevallen nadelig uitpakken voor personen zoals verzoeker, maar dat neemt niet weg dat doorslaggevende betekenis toekomt aan de uitdrukkelijke bedoeling en keuze van de besluitwetgever om enkel een selecte groep personen aanspraak te laten maken op bijstand op grond van het Bbz. Er bestaat daarom geen aanleiding om artikel 2, eerste lid, van het Bbz in strijd te achten met het evenredigheidsbeginsel of enig ander algemeen beginsel van behoorlijk bestuur of algemeen rechtsbeginsel en om deze bepaling om die reden buiten toepassing te laten. Daarbij merkt de voorzieningenrechter ten overvloede op dat verzoeker zijn stelling dat onverkorte toepassing van de voorwaarde in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bbz getuigt van een formalistische houding op geen enkele wijze heeft onderbouwd.
Conclusie
12. Het beroep is ongegrond. Gelet hierop dient het verzoek om voorlopige voorziening te worden afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier, op 12 oktober 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.
voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.