Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het verloop van de procedure
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 20 september 2023;
- het e-mailbericht van de moeder van 5 oktober 2023.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2007, die momenteel onder toezicht staat. De minderjarige verblijft sinds begin september 2023 bij zijn oma (vaderszijde), wat goed verloopt. De moeder is belast met het ouderlijk gezag, terwijl het gezag van de vader bij beschikking van 24 juli 2023 is beëindigd.
Tijdens de mondelinge behandeling, die met gesloten deuren plaatsvond, is vastgesteld dat de minderjarige niet meer bij zijn moeder wil wonen en liever bij zijn vader zou willen wonen, hoewel de contacten met de vader beperkt en begeleid zijn. De vader is als belanghebbende aangemerkt ondanks het verlies van gezag, omdat hij een rol in het leven van de minderjarige wil spelen en in beroep gaat tegen het gezagsverlies.
De gecertificeerde instelling heeft de minderjarige bij de oma geplaatst en zal onderzoeken welke plaatsing het beste is, inclusief mogelijkheden bij de vader. De kinderrechter oordeelt dat de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding, en wijst het verzoek toe met een machtiging van 9 oktober 2023 tot 6 maart 2024, uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De kinderrechter verleent de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij een voorziening voor pleegzorg tot 6 maart 2024, uitvoerbaar bij voorraad.