Belanghebbende maakte bezwaar tegen naheffingsaanslagen omzetbelasting over de jaren 2014 tot en met 2017. De inspecteur had deze aanslagen opgelegd na een boekenonderzoek waarin bleek dat niet alle facturen ter onderbouwing van de voorbelasting konden worden overlegd. De rechtbank beoordeelde het beroep op basis van de aangevoerde gronden en de stukken.
De rechtbank constateerde dat belanghebbende onvoldoende bewijs had geleverd om de correcties van de inspecteur te weerleggen. De bewijslast lag bij belanghebbende om aannemelijk te maken dat de voorbelasting terecht was geclaimd. Omdat geen aanvullende stukken waren overgelegd, werd het beroep ongegrond verklaard.
Ook het beroep tegen de belastingrentebeschikkingen werd verworpen, omdat geen zelfstandige gronden waren aangevoerd om daarvan af te wijken. De naheffingsaanslagen en de belastingrente blijven daarmee gehandhaafd. Belanghebbende krijgt geen teruggaaf van griffierecht of proceskostenvergoeding.
De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 8 februari 2023 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.