De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 9 februari 2023 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van aanranding en schennispleging op 20 december 2020 te Vlissingen. Het slachtoffer verklaarde dat verdachte haar had aangerand en schennis had gepleegd. Verdachte ontkende de feiten.
Het bewijs bestond onder meer uit camerabeelden, verklaringen van het slachtoffer en DNA-sporen op een jas van het slachtoffer. De officier van justitie achtte het bewijs overtuigend, vooral vanwege de DNA-match op de jas. De verdediging voerde aan dat essentiële stukken ontbraken die de herkomst van het DNA-materiaal en de koppeling van de monsters aan de jas konden bevestigen.
De rechtbank concludeerde dat in het dossier geen bewijsstukken aanwezig waren die de afname van wangslijmvlies van het slachtoffer konden bevestigen, noch dat de DNA-monsters daadwerkelijk van de jas van het slachtoffer afkomstig waren. Hierdoor kon de DNA-match niet als bewijs worden gebruikt. Daarnaast ontbrak ander overtuigend bewijs dat verdachte de feiten had gepleegd. De rechtbank sprak verdachte vrij wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.