Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
- de dagvaarding,
- de akte overlegging producties 1 tot en met 6 tevens akte houdende
2.De feiten
3.Het geschil
primairopheffing van de gelegde beslagen onder de ING Bank NV, De Blaffende Vis BV en PVE Crane Holding BV en op de hijskraan van het merk Zoomlion, type QUY 70/SN 342 en de bedrijfswagen met [kenteken 1] en de bedrijfswagen met [kenteken 2], althans S&P te bevelen de beslagen op te heffen op straffe van verbeurte van een dwangsom, dan wel
subsidiairopheffing van de gelegde beslagen onder de opschortende voorwaarde dat de door PVE aangeboden garantie door de borg is gesteld, althans S&P te bevelen de beslagen op te heffen op straffe van verbeurte van een dwangsom,
primair en subsidiairveroordeling van S&P in de proceskosten.
4.De beoordeling
“Het in dit artikel gestelde laat onverlet de rechten van de Begunstigde om betaling te vorderen op grond van artikel 2”.Artikel 3 ziet Pro op de situatie dat hangende de procedure tussen partijen, die bij de Bank bekend is, PVE in staat van faillissement wordt verklaard en er nog geen sprake is van een kracht van gewijsde gegane beslissing. In dat geval kan de Bank in een door haar aan te spannen procedure tegen S&P de verweren voeren, die PVE zou kunnen voeren. Wordt S&P in de procedure met de Bank in het gelijk gesteld en krijgt de beslissing kracht van gewijsde, dan zal de Bank ook in een faillissementssituatie – zo volgt uit artikel 3 – tot betaling aan S&P overgaan. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt dan ook niet in te zien dat S&P in een faillissementssituatie in een nadeligere positie zou kunnen komen te verkeren dan in de situatie waarin PVE hangende de procedure tussen partijen niet in staat van faillissement wordt verklaard.
€ 173,=(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)