ECLI:NL:RBZWB:2023:7404

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 oktober 2023
Publicatiedatum
25 oktober 2023
Zaaknummer
C/02/412811 / JE RK 23-1446
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Pellikaan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:261 BWArt. 810 Rv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing ondertoezichtstelling minderjarige wegens bereikte hulpverleningsdoelen

De gecertificeerde instelling (GI) verzocht de rechtbank om de ondertoezichtstelling van een minderjarige op te heffen. De minderjarige woont bij zijn oma en heeft zich positief ontwikkeld, onder meer door het succesvol afronden van trauma- en EMDR-therapie. Hoewel het contactherstel met de moeder niet is bereikt, is dit gezien de leeftijd en belangen van de minderjarige niet afdwingbaar.

De Raad voor de Kinderbescherming ondersteunt het verzoek, omdat de geformuleerde hulpverleningsdoelen vrijwel allemaal zijn behaald. De minderjarige volgt geen regulier onderwijs maar werkt bij het klusbedrijf van zijn vader en wil een leer-werktraject starten, wat als positieve ontwikkeling wordt gezien.

De kinderrechter concludeert dat de wettelijke vereisten voor opheffing van de ondertoezichtstelling zijn vervuld en wijst het verzoek toe. De ondertoezichtstelling wordt per 20 oktober 2023 opgeheven en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt opgeheven per 20 oktober 2023.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/412811 / JE RK 23-1446
Datum uitspraak: 20 oktober 2023

Beschikking van de kinderrechter over een opheffing ondertoezichtstelling

in de zaak van

LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,

hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI),
gevestigd te Eindhoven,
betreffende

[minderjarige] ,

geboren op [geboortedag] 2006 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

[de oma] ,

hierna te noemen: de oma,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

Het procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoek met bijlagen van de GI van 31 juli 2023, ingekomen bij de griffie op dezelfde datum.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2023. Daarbij waren aanwezig:
- een vertegenwoordiger van de GI;
- een vertegenwoordiger van de Raad.
De belanghebbenden en [minderjarige] zijn, hoewel correct opgeroepen, niet verschenen.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders.
[minderjarige] woont bij zijn oma (vaderszijde).
Bij beschikking van 15 december 2022 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin met ingang van 24 januari 2023 verlengd tot 24 januari 2024.

Het verzoek

De GI verzoekt op grond van artikel 1:261 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) de ondertoezichtstelling van [minderjarige] , opgedragen aan de GI, op te heffen en de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

De standpunten

De GI heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat [minderjarige] zich bij zijn oma positief heeft ontwikkeld. De oma beschikt over voldoende draagkracht om voor [minderjarige] te zorgen. Wel is het in huis bij oma druk, maar [minderjarige] geeft aan daar geen last van te ervaren en hij verblijft ook met enige regelmaat bij zijn vader.
[minderjarige] had last van een trauma, hetgeen zich uitte in een enorme angst ten opzichte van zijn moeder. Vorig jaar heeft [minderjarige] trauma therapie en EMDR doorlopen en afgerond.
Voor contact met zijn moeder staat [minderjarige] nog niet open.
[minderjarige] is hard aan zichzelf aan het werken. Hij gaat (nog) niet naar school, maar werkt bij het klusbedrijf van zijn vader. [minderjarige] wil daar graag een leer-werktraject van maken.
[minderjarige] zal dan in deeltijd een vorm van onderwijs gaan volgen en deels gaan werken.
Vanuit Sterk Huis is pleegzorg betrokken. Ook zonder een ondertoezichtstelling zullen zij betrokken blijven.
Omdat er geen zorgen meer zijn en alle betrokkenen het eens zijn met een afsluiting van de ondertoezichtstelling is de GI van mening dat de ondertoezichtstelling kan worden opgeheven.
De Raad constateert dat de destijds door hemzelf geformuleerde hulpverleningsdoelen bijna allemaal zijn behaald. De Raad ondersteunt daarom het verzoek van de GI.

De beoordeling

Gelet op artikel 1:261 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter op verzoek van de GI die het toezicht heeft de ondertoezichtstelling opheffen indien de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro, niet langer is vervuld.
De kinderrechter constateert dat de destijds binnen de ondertoezichtstelling geformuleerde hulpverleningsdoelen zijn bereikt, althans dat daarin het hoogst haalbare is bereikt. [minderjarige] groeit op bij zijn oma en heeft daar een veilige en stabiele opvoedomgeving. [minderjarige] heeft zich opengesteld voor hulpverlening en heeft hard aan zichzelf gewerkt. [minderjarige] heeft trauma therapie en EMDR doorlopen en afgerond. Om [minderjarige] de nodige ruimte te geven, hoefde hij niet persé naar school. Het doel dat [minderjarige] de ruimte moest krijgen voor zijn cognitieve ontwikkeling kon daarom maar deels worden behaald, maar [minderjarige] heeft in elk geval een goede dagbesteding door te werken in het klusbedrijf van zijn vader. [minderjarige] zou daar graag een leer-werktraject van willen maken, hetgeen eveneens een positieve ontwikkeling is. Tot slot moet worden geconstateerd dat het doel om te werken aan contactherstel tussen [minderjarige] en zijn moeder niet is behaald. Gebleken is dat [minderjarige] nog niet openstaat voor contact met zijn moeder. Mede gezien de leeftijd van [minderjarige] zal hij ook niet meer tot contact met zijn moeder kunnen worden gedwongen en dit wordt ook niet in zijn belang geacht.
Geconstateerd wordt dat de Raad het verzoek van de GI ondersteunt.
Op grond van het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke vereisten voor de opheffing van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter zal het verzoek daarom toewijzen en de ondertoezichtstelling van [minderjarige] opheffen met ingang van heden.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

De beslissing

De kinderrechter:
heft de ondertoezichtstelling van [minderjarige] op met ingang van 20 oktober 2023;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2023 door mr. Pellikaan, kinderrechter, in tegenwoordigheid van Van Dongen, als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 25 oktober 2023.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch.