ECLI:NL:RBZWB:2023:7406
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Bodemzaak
- Rouwen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering huurbetaling wegens redelijkheid en billijkheid en niet-ontvankelijkheid cessie
Eiseres en gedaagde sloten in 2010 een huurovereenkomst voor een appartement. Gedaagde stelde dat zij de huur niet hoefde te betalen, maar de rechtbank oordeelde dat zij wel verplicht was tot betaling. Gedaagde voerde diverse verweren aan, waaronder vereenzelviging van eiseres met haar directeur-grootaandeelhouder, rechtsverwerking, verjaring en niet-ontvankelijkheid wegens cessie.
De rechtbank verwierp de vereenzelviging omdat geen uitzonderlijke omstandigheden waren gesteld. Rechtsverwerking werd niet aangenomen omdat geen afstand van huurbetaling was bewezen. Het verjaringsverweer faalde door stuiting van verjaring door eiseres. Wel werd de vordering tot en met augustus 2017 niet-ontvankelijk verklaard wegens een geldige cessie die niet ongedaan was gemaakt volgens wettelijke vereisten.
Verder oordeelde de rechtbank dat het onredelijk was om binnen twee weken betaling van een groot bedrag aan achterstallige huur te vorderen, mede gezien de lopende cassatieprocedure tegen de directeur-grootaandeelhouder. Ook de aanspraak op contractuele rente werd afgewezen wegens verjaring en gebrek aan aanspraak. De proceskosten werden gecompenseerd zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Vordering huurpenningen tot augustus 2017 niet-ontvankelijk verklaard en overige vordering afgewezen wegens redelijkheid en billijkheid.