ECLI:NL:RBZWB:2023:7431
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling naheffingsaanslag BPM na schadewaardering en discretionaire bevoegdheid
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag BPM opgelegd door de inspecteur, waarbij zij een hogere schadewaardering aanvoerde dan door de inspecteur werd gehanteerd. De inspecteur had de aanslag verminderd na bezwaar en een hertaxatie door Domeinen Roerende Zaken (DRZ).
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur de naheffingsaanslag deugdelijk heeft voorbereid en dat de discretionaire bevoegdheid om het voertuig te tonen is toegepast binnen het evenredigheidsbeginsel. Belanghebbende heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de schade hoger is dan de door DRZ vastgestelde 83% van de herstelkosten.
Verder is het beroep op artikel 110 VWEU Pro verworpen omdat belanghebbende niet heeft aangetoond dat de BPM-heffing in strijd is met het EU-recht. Ook de belastingrente blijft in stand. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak op bezwaar, zonder kostenvergoeding aan belanghebbende.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de naheffingsaanslag BPM na vermindering.