ECLI:NL:RBZWB:2023:745
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring bezwaar tegen afname en verwerking DNA-profiel bij Opiumwet-overtreding
De veroordeelde maakte bezwaar tegen het bepalen en verwerken van haar DNA-profiel op grond van artikel 7 van Pro de Wet DNA, stellende dat dit niet van betekenis zou zijn voor opsporing en vervolging vanwege de aard van het misdrijf en bijzondere omstandigheden.
De rechtbank behandelde het bezwaar in besloten raadkamer, waarbij de veroordeelde niet verscheen maar haar advocaat en de officier van justitie wel werden gehoord. De veroordeelde was veroordeeld voor een overtreding van artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet en kreeg een voorwaardelijke taakstraf opgelegd.
De rechtbank overwoog dat het misdrijf voldoet aan de wettelijke vereisten voor DNA-afname en dat de uitzonderingen in de Wet DNA niet van toepassing zijn. De aard van het delict en de omstandigheden rechtvaardigen geen uitzondering, ook niet gezien het recidivegevaar dat de rechtbank aannam bij het opleggen van de voorwaardelijke straf.
Het bezwaar is daarom ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel wordt ongegrond verklaard.