ECLI:NL:RBZWB:2023:7453

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 oktober 2023
Publicatiedatum
26 oktober 2023
Zaaknummer
AWB- 23_2669
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar pgb-verantwoordingsvrij bedrag 2021

Eiser had voor het jaar 2021 een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend gekregen met een verantwoordingsvrij bedrag van €172,39. Na een definitieve vaststelling van nihil door het zorgkantoor op 4 juni 2022, vroeg eiser op 9 februari 2023 opnieuw om uitbetaling van dit bedrag. Het zorgkantoor kwalificeerde deze brief als een te laat ingediend bezwaar en verklaarde dit niet-ontvankelijk.

De rechtbank oordeelt dat het zorgkantoor ten onrechte de brief als bezwaar heeft aangemerkt, terwijl het in feite een nieuwe aanvraag betrof. Dit blijkt uit de inhoud van de brief en het feit dat het zorgkantoor na 4 juni 2022 alsnog een bedrag had vastgesteld en uitbetaald.

Daarom kan het bestreden besluit niet standhouden. Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd en het zorgkantoor wordt opgedragen alsnog een besluit te nemen op de aanvraag tot uitbetaling van het verantwoordingsvrije bedrag over 2021. Tevens moet het betaalde griffierecht aan eiser worden vergoed.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het zorgkantoor wordt opgedragen alsnog een besluit te nemen op de aanvraag tot uitbetaling van het verantwoordingsvrije bedrag over 2021.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/2669

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

10 oktober 2023 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

( [gemachtigde] ),
en

Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V., verweerder.

Inleiding

Bij besluit van 3 februari 2022 heeft het zorgkantoor aan eiser een persoonsgebonden budget (pgb) voor het jaar 2021 toegekend ten bedrage van € 11.492,35. Het verantwoordingsvrije bedrag is daarbij vastgesteld op € 172,39.
Op 9 februari 2022 vraagt eiser om uitbetaling van het verantwoordingsvrije bedrag.
Op 4 juni 2022 heeft het zorgkantoor het pgb van eiser voor het jaar 2021 definitief berekend en vastgesteld op nihil.
Op 23 januari 2023 is de zorgovereenkomst van eiser met [bedrijf] B.V. alsnog goedgekeurd.
Op 9 februari 2023 vraagt eiser opnieuw om uitbetaling van het verantwoordingsvrije bedrag voor 2021. Deze brief is door het zorgkantoor aangemerkt als een bezwaarschrift tegen het besluit van 4 juni 2022.
Met het bestreden besluit van 13 april 2023 heeft het zorgkantoor het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift niet op tijd is ingediend en eiser hiervoor geen geldige reden heeft. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.
Het zorgkantoor heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 10 oktober 2023. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en [naam 2] .
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank meteen mondeling uitspraak gedaan.
Beoordeling door de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het zorgkantoor de brief van 9 februari 2023 ten onrechte aangemerkt als bezwaar gericht tegen het besluit van 4 juni 2022.
Daartoe overweegt de rechtbank dat ter zitting duidelijk is geworden dat het zorgkantoor na het besluit van 4 juni 2022 alsnog een bedrag aan pgb heeft vastgesteld over 2021 en dit bedrag ook heeft uitbetaald aan eiser. Tevens is duidelijk geworden dat de gemachtigde van eiser de brief van 9 februari 2023 weliswaar ‘bezwaar’ noemt, maar dat hij heeft bedoeld (opnieuw) een aanvraag te doen tot uitbetaling van het verantwoordingsvrije bedrag over 2021. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt dit ook uit de inhoud van de brief van
9 februari 2023. Ten onrechte is het zorgkantoor niet ingegaan op die aanvraag.
Hieruit vloeit voort dat het bestreden besluit geen stand kan houden. Het beroep is gegrond. Het zorgkantoor zal alsnog een besluit op de aanvraag moeten nemen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt het zorgkantoor op een besluit te nemen op de aanvraag tot uitbetaling van het verantwoordingsvrije bedrag over 2021;
  • draagt het zorgkantoor op het betaalde griffierecht van € 50,00 aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2023 door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van B.C. van Sprundel-Thelosen, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.