Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het verloop van de procedure
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank om een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2007, vanwege ernstige bedreiging van diens ontwikkeling. De minderjarige vertoonde fors zelfbepalend gedrag, problemen met (hard)drugsgebruik, somberheid en woede-uitbarstingen. Ondanks langdurige hulpverlening en inzet van de ouders bleef de problematiek hardnekkig.
De ouders, belast met het ouderlijk gezag, wonen gescheiden en hebben een wisselende verstandhouding, wat het vasthouden aan een eenduidige opvoedingslijn bemoeilijkt. De minderjarige en moeder haken soms af van hulpverlening. De Raad en de Gecertificeerde Instelling ondersteunen het verzoek tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, waarbij een plaatsing bij een jeugdhulpaanbieder op korte termijn mogelijk is.
De kinderrechter oordeelde dat aan de wettelijke criteria voor ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing is voldaan. De maatregel is noodzakelijk om de ernstig bedreigde ontwikkeling van de minderjarige af te wenden. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard om directe uitvoering mogelijk te maken. Hoger beroep kan binnen drie maanden worden ingesteld.
Uitkomst: De minderjarige wordt onder toezicht gesteld en krijgt een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van een jaar, met onmiddellijke uitvoerbaarheid.