ECLI:NL:RBZWB:2023:750
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring bezwaar tegen opname DNA-profiel na veroordeling Opiumwet
De veroordeelde heeft bezwaar gemaakt tegen het bepalen en verwerken van haar DNA-profiel na een veroordeling wegens overtreding van artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet. Zij stelde dat vanwege de aard van het misdrijf en bijzondere omstandigheden het DNA-onderzoek niet van betekenis zou zijn voor opsporing en vervolging.
De rechtbank behandelde het bezwaar in besloten raadkamer, waarbij de advocaat van de veroordeelde en de officier van justitie werden gehoord. De veroordeelde zelf was niet aanwezig. De officier van justitie stelde dat het bezwaar ongegrond moest worden verklaard omdat de wettelijke grondslag voor DNA-afname aanwezig was en er geen uitzonderingen golden.
De rechtbank oordeelde dat het misdrijf voldoet aan de vereisten voor DNA-afname en dat de uitzonderingsgrond van artikel 2 Wet Pro DNA niet van toepassing is. De aard van het delict en de omstandigheden maken geen uitzondering. Het feit dat de veroordeelde niet eerder is veroordeeld en dat recidive niet aannemelijk is, is onvoldoende om een uitzondering te rechtvaardigen, mede gezien de opgelegde voorwaardelijke taakstraf.
De rechtbank wees ook het argument af dat het eerdere aanbod van een strafbeschikking uitsluit dat DNA wordt opgenomen, omdat de veroordeelde ervoor koos de zaak aan de rechter voor te leggen. Het bezwaar werd daarom ongegrond verklaard en de beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2023.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel wordt ongegrond verklaard.