ECLI:NL:RBZWB:2023:753
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Beslissing ongegrond bezwaar tegen afname en verwerking DNA-profiel na veroordeling Opiumwet
De veroordeelde heeft bezwaar gemaakt tegen het bepalen en verwerken van haar DNA-profiel op grond van artikel 7 van Pro de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. Zij stelt dat vanwege de aard van het misdrijf en de bijzondere omstandigheden het DNA-onderzoek niet van betekenis zou zijn voor opsporing en vervolging.
De rechtbank heeft het bezwaar in besloten raadkamer behandeld, waarbij de advocaat van de veroordeelde en de officier van justitie zijn gehoord. De veroordeelde is niet verschenen. De officier van justitie heeft betoogd dat het bezwaar ongegrond moet worden verklaard omdat er een wettelijke grondslag bestaat voor de afname van het DNA-materiaal.
De veroordeelde is veroordeeld voor een overtreding van artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet en kreeg een voorwaardelijke taakstraf opgelegd. De rechtbank oordeelt dat deze veroordeling voldoet aan de vereisten voor het bevel tot DNA-afname en dat geen uitzonderingsgrond geldt. Het standpunt dat de achterdeurproblematiek en het eerdere aanbod van een strafbeschikking tot een uitzondering leiden, wordt verworpen.
De rechtbank weegt mee dat de veroordeelde niet eerder is veroordeeld, maar dat dit niet betekent dat recidive uitgesloten is, mede gelet op de opgelegde voorwaardelijke straf. De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond en bevestigt de opname van het DNA-profiel in de databank. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel wordt ongegrond verklaard.