ECLI:NL:RBZWB:2023:754
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring bezwaar tegen afname en verwerking DNA-profiel na veroordeling Opiumwet
De veroordeelde heeft bezwaar gemaakt tegen het bepalen en verwerken van haar DNA-profiel op grond van artikel 7 van Pro de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. Zij stelt dat vanwege de aard van het misdrijf en de bijzondere omstandigheden het DNA-onderzoek niet van betekenis zal zijn voor opsporing en vervolging.
De rechtbank heeft het bezwaar behandeld in besloten raadkamer, waarbij de advocaat van de veroordeelde en de officier van justitie zijn gehoord. De veroordeelde zelf was niet aanwezig. De officier van justitie betoogde dat het bezwaar ongegrond moet worden verklaard omdat er een wettelijke grondslag bestaat voor afname en opname van DNA-materiaal bij de veroordeelde.
De rechtbank oordeelt dat het misdrijf, een overtreding van artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet, voldoet aan de criteria voor DNA-afname. Hoewel het een atypisch delict betreft, zijn de uitzonderingen op de Wet DNA niet van toepassing. De rechtbank weegt mee dat de veroordeelde een voorwaardelijke taakstraf met proeftijd kreeg, wat wijst op een kans op recidive. Ook het eerdere aanbod van een strafbeschikking sluit afname niet uit.
Daarom verklaart de rechtbank het bezwaar ongegrond. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel wordt ongegrond verklaard.