Uitspraak
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
1.De procedure
2.De zaak in het kort
3.De feiten
4.Het geschil
5.De beoordeling
2.957,50(2,5 punt x tarief IV)
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze civiele bodemprocedure vordert eiser betaling van twee facturen, waarvan één groot bedrag van €72.600,- en een kleinere factuur van €3.025,-. Gedaagde betwist de verschuldigdheid en voert aan dat er geen geldige opdracht is gegeven voor de werkzaamheden waarop de facturen zien.
De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende gemotiveerd heeft ingegaan op de gedetailleerde betwisting van gedaagde, met name over de aard en het bestaan van de opdracht en de overdracht van intellectuele eigendomsrechten. Hierdoor is de stelplicht niet nagekomen en worden de vorderingen afgewezen. De kleinere factuur is erkend betaald, maar eiser heeft deze vordering niet ingetrokken, waardoor ook deze wordt afgewezen.
In reconventie vordert gedaagde opheffing van het conservatoir beslag dat eiser op haar bankrekening heeft gelegd. De rechtbank vindt dat het voortduren van het beslag niet gerechtvaardigd is, mede vanwege het afwijzen van de hoofdvordering en het belang van gedaagde om over haar bankrekening te kunnen beschikken. Het beslag wordt opgeheven.
De proceskosten worden aan eiser opgelegd, inclusief griffierecht, advocaatkosten en nakosten, met wettelijke rente bij niet tijdige betaling. Het vonnis is gewezen door rechter Römers en op 1 november 2023 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Vordering tot betaling facturen afgewezen en conservatoir beslag opgeheven; eiser veroordeeld in proceskosten.