Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het verloop van de procedure
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2018. De minderjarige verblijft sinds augustus 2022 in een netwerkpleeggezin bij een tante van moederszijde. De moeder oefent het ouderlijk gezag uit en bezoekt de minderjarige wekelijks, terwijl het contact met de vader wisselend en beperkt is.
De GI stelt dat de doelen van de ondertoezichtstelling nog niet zijn bereikt. Er is geen voorspelbaar en stabiel contact tussen de minderjarige en haar ouders, en er is onvoldoende zicht op de opvoedcapaciteiten van beide ouders. De vader heeft onvoldoende initiatief getoond en er is sprake van miscommunicatie met de GI. De moeder stemt in met de verlenging en wil werken aan terugplaatsing van de minderjarige.
De kinderrechter oordeelt dat de wettelijke criteria voor verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn vervuld. De minderjarige wordt nog steeds ernstig in haar ontwikkeling bedreigd. De GI moet zich richten op het verbeteren van het contact tussen vader en kind en op het opstarten van hulpverlening voor de moeder. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en geldt voor de periode van 11 oktober 2023 tot 11 oktober 2024.
Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige worden verlengd tot 11 oktober 2024 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.