Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2017 en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente. De rechtbank beoordeelde of het belastbare inkomen uit sparen en beleggen verder moest worden verlaagd en of het juiste bedrag aan belastingrente was toegepast.
De rechtbank overwoog dat de betaling van een voorschot van € 20.000 in april 2018 niet als betaling op de voorlopige aanslag kon worden verwerkt, omdat de aanslag pas in januari 2019 formeel was vastgesteld. De renteberekening was daarom correct. Vervolgens werd beoordeeld of het belastbare inkomen uit sparen en beleggen verder moest worden verlaagd op grond van het werkelijk behaalde rendement, in het licht van het Kerstarrest en de Wet rechtsherstel box 3.
Belanghebbende stelde dat zijn werkelijk rendement lager was dan het forfaitaire bedrag, maar kon dit niet aannemelijk maken met voldoende bewijs. De rechtbank oordeelde dat belanghebbende als meest gerede partij gegevens moest aanleveren waaruit het werkelijk rendement bleek. Het verzoek om een passende rentevergoeding over de belastingteruggaaf werd afgewezen op grond van de wettelijke regeling.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond vanwege de eerdere verlaging van de aanslag, stelde het belastbare inkomen vast op € 64.116, wees verdere verlaging af, en veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.