Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
feit 1, primair: in de periode van 1 januari 2006 tot en met 22 januari 2008 [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen,
subsidiairten laste gelegd als het plegen van ontuchtige handelingen terwijl [slachtoffer 1] toen de leeftijd van zestien jaar nog niet had bereikt;
feit 2: in de periode van 22 januari 2008 tot en met 22 januari 2020 [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen;
feit 3, primair: in de periode van 1 januari 2001 tot en met 11 december 2005 [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen,
subsidiairten laste gelegd als het plegen van ontuchtige handelingen terwijl [slachtoffer 2] toen de leeftijd van zestien jaar nog niet had bereikt;
feit 4: in de periode van 11 december 2005 tot en met 11 december 2013 [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen.
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De strafbaarheid
6.De strafoplegging
7.De benadeelde partij
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan de onder 1 primair en 3 primair ten laste gelegde feiten;
een gevangenisstraf van één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
bijzondere voorwaarden: