ECLI:NL:RBZWB:2023:798

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 januari 2023
Publicatiedatum
10 februari 2023
Zaaknummer
22-026016
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 534 SvArt. 9a SrArt. 535 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning vergoeding kosten rechtsbijstand na voorwaardelijk sepot

Verzoeker diende een verzoek in op grond van artikel 530 Sv Pro voor vergoeding van kosten rechtsbijstand na een strafzaak die op 17 september 2021 voorwaardelijk werd geseponeerd. De officier van justitie stelde zich op het standpunt dat het verzoek niet-ontvankelijk was vanwege een beleidssepot en dat er geen ruimte was voor schadevergoeding omdat de zaak onmiskenbaar tot een veroordeling zou hebben geleid.

De rechtbank oordeelde dat er gronden van billijkheid waren voor vergoeding van kosten rechtsbijstand, omdat onvoldoende was gebleken dat de verdenking en het voortduren daarvan aan verzoeker zelf te wijten waren. De rechtbank wees een vergoeding toe voor 8,5 uren rechtsbijstand en een forfaitair bedrag voor de behandeling van het verzoekschrift.

De totale vergoeding werd vastgesteld op € 3.132,97, bestaande uit € 2.452,97 voor rechtsbijstand en € 680,00 voor de kosten van het verzoekschrift. Het verzoek werd voor het overige afgewezen. De beslissing werd op 30 januari 2023 uitgesproken door rechter J.C. Gillesse.

Uitkomst: Verzoek tot vergoeding van kosten rechtsbijstand na voorwaardelijk sepot gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 3.132,97.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Locatie Middelburg
parketnummer: 02-141014-21
rk-nummer: 22-026016
Beslissing op het verzoekschrift ex artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering
Beslissing op het verzoekschrift ex artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv) ingekomen ter griffie op 15 november 2022, in de zaak:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedag] 1966 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonadres] ,
woonplaats kiezende ten kantore van mr. R.A.A. Maat, 4461 HS Goes, Wulfaertstraat 3.
Verzoeker is [verzoeker] voornoemd.

1.De procedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
 het verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding
ex artikel 530 Sv Proten laste van de Staat voor een bedrag van:
  • € 3.453,04, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
  • te vermeerderen met de kosten met betrekking tot het opstellen en indienen van het verzoekschrift ad € 340,00 dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
  • de kennisgeving sepot van 17 september 2021;
  • de schriftelijke reactie van de officier van justitie.
Op 16 januari 2023 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie, mr. J.A. Castelein, en mr. R.A.A. Maat als gemachtigd advocaat van verzoeker gehoord.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
In het verzoekschrift is aangevoerd dat de zaak tegen verzoeker op 17 september 2021 voorwaardelijk is geseponeerd. Verzoeker verzoekt om de vergoeding van de kosten zoals hiervoor bij de procedure gemeld.
De officier van justitie heeft zich schriftelijk op het standpunt gesteld dat het verzoek niet-ontvankelijk is. De zaak is niet voorwaardelijke geseponeerd wegens onvoldoende bewijs, maar omdat het Openbaar Ministerie het niet opportuun achtte verdere vervolging in te stellen. De billijkheid verzet zich tegen toekenning van schadevergoeding. Volgens vaste jurisprudentie komt dan ook de forfaitaire vergoeding voor het verzoekschrift niet voor vergoeding in aanmerking.
De advocaat van verzoeker heeft in raadkamer aangevoerd dat verzoeker de tenlastegelegde mishandelingen heeft ontkend. Aangeefster, de echtgenote van verzoeker, is in een verklaring teruggekomen op haar aangifte. De dagvaarding is ingetrokken en er is een sepotbeslissing gekomen. De advocaat van verzoeker is van mening dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is. Er zou zonder meer vrijspraak hebben gevolgd.
De officier van justitie heeft in raadkamer het volgende aangevoerd. In de schriftelijke reactie staat dat de zaak is geseponeerd wegens onvoldoende nationaal belang. De zaak is echter voorwaardelijk geseponeerd wegens gewijzigde omstandigheden. Het is een beleidssepot. Er kon middels de proeftijd een vinger aan de pols worden gehouden. Op basis van het dossier is de officier van justitie van mening dat de zaak onmiskenbaar tot een veroordeling zou hebben geleid als het Openbaar Ministerie tot vervolging over was gegaan en dat er een al dan niet voorwaardelijke straf aan verzoeker zou zijn opgelegd. Er is daarom geen ruimte voor een schadevergoeding. Het verzoek dient te worden afgewezen.

2.De beoordeling

De rechtbank overweegt als volgt.
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen, nu de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank is vervolgd, zou worden vervolgd of laatstelijk werd vervolgd.
Ingevolge artikel 530 Sv Pro wordt aan de gewezen verdachte een vergoeding toegekend in
de ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, en kan een vergoeding worden toegekend voor de schade welke hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede, behoudens in het zich hier niet voordoende geval dat - kort gezegd - de raadsman was toegevoegd, in de kosten van een raadsman.
Ingevolge artikel 534, eerste en vierde lid, Sv vindt toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Bij de beoordeling of er gronden van billijkheid zijn voor het toekennen van een vergoeding van kosten rechtsbijstand is de sepotcode niet van doorslaggevend belang. [1] Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gebleken dat de verdenking jegens verzoeker en het voortduren daarvan aan zijn eigen houding te wijten zijn. Derhalve zijn er gronden van billijkheid voor toekenning van een vergoeding van kosten rechtsbijstand.
De rechtbank constateert dat blijkens de overgelegde urenspecificatie vanaf 9 november 2021 bij verzoeker 3,9 bestede uren en reiskosten voor 52 kilometers in verband met het eerder gedane verzoek tot schadevergoeding ex artikel 530 Sv Pro in rekening zijn gebracht. Verzoeker is in dat verzoek niet-ontvankelijk verklaard en over deze kosten is in die procedure al een beslissing genomen. Er is geen wettelijke grondslag die kosten alsnog toe te kennen. De overige bestede uren die in rekening zijn gebracht komen de rechtbank billijk voor. Verder acht de rechtbank het billijk dat 0,5 uur wordt vergoed ten behoeve van overleg tussen verzoeker en zijn raadsman na het voorwaardelijke sepot. Derhalve komen in totaal 8,5 uren voor vergoeding aanmerking.
Uit de stukken blijkt niet expliciet welk uurtarief de raadsman heeft gehanteerd. Uitgaande van een in rekening gebracht honorarium van in totaal € 2.677,50 voor 11,9 uren, neemt de rechtbank aan dat een uurtarief van € 225,00 is gehanteerd. Gelet op vorenstaande zal de rechtbank op gronden van billijkheid een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand toekennen tot een bedrag van
€ 2.452,97. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:
Honorarium 8,5 uren x € 225,00 € 1.912,50
Verschotten 6%
€ 114,75
Subtotaal € 2.027,25
21% BTW over subtotaal
€ 425,72
€ 2.452,97
Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van
€ 680,00toegekend.

3.De beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv Pro toe tot een bedrag van
€ 3.132,97, bestaande uit:
- € 2.452,97 aan kosten van rechtsbijstand en
- € 680,00 de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
wijst het verzoek voor het overige af;
bepaalt dat een bedrag van
€ 3.132,97zal worden overgemaakt op [rekeningnummer] ten name van Advocatenkantoor Zeeland te Goes, onder vermelding van “ [betalingskenmerk] ”.
Deze beslissing is op 30 januari 2023 gegeven door mr. J.C. Gillesse, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Zuidhof, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 januari 2023.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing ex artikel 530 Sv Pro kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van deze beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (artikel 535 lid 1 Sv Pro).

Voetnoten