Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen een rechter in een strafzaak, verwijzend naar vermeende meineed gepleegd door advocaten in een civiele zaak en vermeende manipulatie door het Openbaar Ministerie. De wrakingskamer vroeg om nadere toelichting en onderbouwing van het verzoek, maar verzoeker reageerde niet inhoudelijk.
De wrakingskamer constateerde dat het verzoek onduidelijk was over tegen welke rechter het gericht was en dat de gronden voor wraking ontbraken. Tevens werd het verzoek te laat ingediend voor een eerdere zitting. De wrakingskamer oordeelde dat verzoeker niet-ontvankelijk moest worden verklaard.
De kamer benadrukte dat eventuele bezwaren over het procesdossier of verzoek tot verwijzing naar een andere rechtbank tijdens de zitting aan de rechter moeten worden voorgelegd en niet via de wrakingskamer. Een mondelinge behandeling van het verzoek werd achterwege gelaten.
De beslissing werd genomen door de wrakingskamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 14 september 2023 en is onherroepelijk.