Eiser was sinds september 2019 ingeschreven in de gemeente Schouwen-Duiveland. Na een melding dat eiser niet meer woonachtig was op het geregistreerde adres, voerde het college een adresonderzoek uit en concludeerde dat eiser niet meer woonachtig was op dat adres. Omdat het college niet wist waar eiser verbleef, stuurde zij op 3 juni 2021 een voornemen tot ambtshalve uitschrijving uit de Basisregistratie Personen.
Eiser betwistte niet dat uitschrijving noodzakelijk was, maar wel de datum van uitschrijving. Hij stelde dat hij destijds dakloos was en af en toe verbleef bij zijn echtgenote in België. Volgens eiser was de datum willekeurig gekozen en feitelijk onjuist.
De rechtbank oordeelde dat het college op grond van de Wet BRP terecht de datum van 3 juni 2021 als vertrekdatum heeft gehanteerd, omdat dit de datum is waarop het voornemen tot uitschrijving aan eiser is medegedeeld. Eiser had volgens de wet aangifte moeten doen van verhuizing of een briefadres moeten opgeven. Het college heeft daarom niet onjuist gehandeld en het beroep is ongegrond verklaard.
De rechtbank wees ook de stelling van eiser af dat het besluit onvoldoende zorgvuldig was voorbereid vanwege een vermelding van 'concept-besluit'. Eiser is niet benadeeld en kreeg geen vergoeding van proceskosten. Het beroep werd derhalve afgewezen.