Eiser, sinds 2012 ondernemer en bestuurder van een BV, werd in juni 2020 persoonlijk failliet verklaard. Kort daarna vroeg hij bedrijfskapitaal aan op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo). Het college kende hem een lening toe, maar trok deze later in en vorderde het bedrag terug omdat eiser ten tijde van de aanvraag failliet was en dit niet had gemeld.
Eiser voerde aan dat hij als bestuurder van de niet-failliete BV handelingen mocht verrichten en dat het privéfaillissement niet relevant was. Ook stelde hij dat hem niet was verteld dat hij privé niet failliet mocht zijn bij de aanvraag en dat hij te goeder trouw had gehandeld.
De rechtbank oordeelde dat de Tozo duidelijk stelt dat bedrijfskapitaal direct kan worden opgeëist bij faillissement van de zelfstandige. Eiser had de inlichtingenplicht geschonden door zijn faillissement niet te melden, waardoor het college terecht het bedrijfskapitaal introk en terugvorderde. Dringende redenen om hiervan af te zien waren niet gebleken.
Daarnaast concludeerde de rechtbank dat niet was aangetoond dat het bedrijf financieel was geraakt door de coronacrisis zoals vereist. Het beroep van eiser werd daarom ongegrond verklaard en hij had geen recht op vergoeding van griffierecht of proceskosten.